BESLUIT ZONDER VISUM VAN HET COLLEGE VAN BURGEMEESTER EN SCHEPENEN
Zitting van maandag 14 september 2026
Aanwezig: Thierry Lens (burgemeester);Dave Van den Bergh, Lenn De Cleene, Sofie Lemmens (Schepenen);Anke Dehuisser (algemeen directeur); |
Verontschuldigd: Bart Van Couwenberghe (schepen); |
OMV 2026/84 - Akkerstraat 95 - vergunning
Het college van burgemeester en schepenen, in geheime zitting,
Juridische achtergrond
Artikel 56, §2, 7° van het Decreet over het Lokaal Bestuur bepaalt dat het college van burgemeester en schepenen bevoegd is over de beslissingen die een wet, een decreet of een uitvoeringsbesluit uitdrukkelijk aan het college van burgemeester en schepenen voorbehoudt;
Besluit van de Vlaamse Regering van 23 mei 2003 tot bepaling van de handelingen die vrijgesteld zijn van de medewerking van de architect.
Artikel 8 van het decreet van 18 juli 2003 betreffende het integraal waterbeleid, gecoördineerd op 15 juni 2018, verplicht elke vergunningverlenende overheid ertoe om de potentieel schadelijke effecten van de voorgenomen werken op het watersysteem te onderzoeken.
Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening gecoördineerd bij besluit van de Vlaamse regering van 15 mei 2009 (BS 20 augustus 2009), en latere wijzigingen, hierna genoemd de VCRO en latere wijzigingsdecreten.
Besluit van de Vlaamse Regering van 16 juli 2010 betreffende de meldingsplichtige handelingen ter uitvoering van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening en latere wijzigingen;
Besluit van de Vlaamse Regering tot vaststelling van een gewestelijke stedenbouwkundige verordening inzake hemelwater, tot wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 16 juli 2010 tot bepaling van stedenbouwkundige handelingen waarvoor geen omgevingsvergunning nodig is en tot opheffing van het besluit van de Vlaamse Regering van 5 juli 2013 houdende vaststelling van een gewestelijke stedenbouwkundige verordening inzake hemelwaterputten, infiltratievoorzieningen, buffervoorzieningen en gescheiden lozing van afvalwater en hemelwater.
Decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning en latere wijzigingen;
Besluit van de Vlaamse Regering van 27 november 2015 betreffende de omgevingsvergunning en latere wijzigingen;
Decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid (DABM) + bijlagen en latere wijzigingen;
Besluit van de Vlaamse Regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne (VLAREM II) en latere wijzigingen;
Besluit van de Vlaamse Regering van 16 mei 2014 houdende bijkomende algemene milieuvoorwaarden (VLAREM III) voor GPBV-installaties en latere wijzigingen;
Besluit van de gemeenteraad van 25 juni 2012 betreft de verordening rond het kappen van bomen.
Besluit van de gemeenteraad van 16 december 2025 tot vaststelling van een retributiereglement voor meldingen en aanvragen van omgevingsvergunningen;
Feiten en context
De aanvraag ingediend door Annabel Brodt wonende Akkerstraat 95 te 2540 Hove, werd per beveiligde zending verzonden op 17 juni 2026. Deze aanvraag werd ontvangen op 17 juni 2026.
De aanvraag werd ontvankelijk en volledig verklaard op 6 juli 2026.
De aanvraag heeft betrekking op een terrein, gelegen Akkerstraat 95, kadastraal bekend: afdeling 1 sectie C nr. 117Z2.
Het betreft een aanvraag tot het aanleggen van een zwembad en regulariseren van een tuinhuis.
De aanvraag omvat:
● stedenbouwkundige handelingen
Het college van burgemeester en schepenen heeft deze aanvraag onderzocht, rekening houdend met de terzake geldende wettelijke bepalingen, in het bijzonder met het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning, het decreet houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid, de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening en hun uitvoeringsbesluiten.
Historiek
● Op 11/10/2010 werd een stedenbouwkundige vergunning (2010/57) voor bouwen van een eengezinswoning afgeleverd door het college van burgemeester en schepenen.
● Op 04/05/2009 werd een wijzing van de verkavelingsvergunning (2008/3) afgeleverd door het college van burgemeester en schepenen.
● Op 01/02/1979 werd een verkavelingsvergunning (1978/1) afgeleverd door de deputatie.
Adviezen
Dienst Integraal Waterbeleid provincie Antwerpen dd. 18 augustus 2026: geen bezwaar
Gemeentelijk omgevingsambtenaar dd. 08 september 2026: voorwaardelijk gunstig
Argumentatie
Beschrijving van de aangevraagde stedenbouwkundige handelingen
De aanvraag omvat de aanleg van een zwembad inclusief boordsteen met een grondoppervlakte van 46,44 m². Het zwembad heeft een lengte van 10,00 meter, een breedte van 3,50 meter en een diepte van 1,50 meter. Rondom het zwembad wordt een boordsteen voorzien met een breedte van 0,80 meter.
De constructie wordt ingeplant op minimaal 2,10 meter van de dichtstbijzijnde perceelsgrens.
Daarnaast omvat de aanvraag de regularisatie van een houten tuinberging in de linkerzijtuinstrook. De tuinberging heeft een oppervlakte van 8,84 m² (4,65 meter x 1,90 meter) en een hoogte van 2,10 meter. De linker zijgevel is ingeplant tegen de perceelsgrens. De constructie is voorzien van een plat dak. Het hemelwater wordt op eigen terrein afgevoerd en infiltreert in de omliggende groenzone.
Na realisatie van de werken blijft ongeveer 61% van het perceel als onverharde en groene ruimte behouden.
De bestaande verhardingen op het terrein maken geen deel uit van de aanvraag.
Beschrijving van de bouwplaats, de omgeving
De voorliggende aanvraag is gelegen langs de Akkerstraat, een zuidwest-noordoost georiënteerde woonstraat gelegen halverwege in het open ruimte gebied tussen Hove en Lint. De straat is een zijstraat van de Lintsesteenweg en vormt het verlengde van de Molenstraat op grondgebied van de gemeente Lint. De straat is over de volledige lengte en langs beide zijden bebouwd met vrijstaande eengezinswoningen op kavels met een gemiddelde oppervlakte die varieert van 1200 tot 1500 m².
De aanvraag betreft een vrijstaande eengezinswoning, gelegen aan de zuidzijde van de Akkerstraat. De woning bestaat uit twee bouwlagen en wordt gekenmerkt door een uitgesproken dakvolume met steile hellende daken en verschillende geveltoppen. De gevels zijn gedeeltelijk afgewerkt met houten gevelbekleding, wat de woning een eerder landelijke uitstraling geeft.
De voortuin bestaat deels uit groenaanleg en deels uit een verharde oprit die toegang geeft tot de woning en de parkeerplaatsen. De voortuin wordt aan weerszijden begrensd door hoge geschoren hagen. In de linkerzijtuinstrook bevindt zich een tuinberging. Zowel in de achtertuin als in de zijtuinstroken bevinden zich terrassen en tuinpaden.
Toetsing aan de voorschriften
Het gevraagde is volgens het gewestplan Antwerpen, goedgekeurd op 3 oktober 1979, deels gelegen in woongebied, deels in woongebied met landelijk karakter en deels in agrarisch gebied.
Volgende voorschriften zijn van toepassing:
De woongebieden zijn bestemd voor wonen, alsmede voor handel, dienstverlening, ambacht en kleinbedrijf voor zover deze taken van bedrijf om redenen van goede ruimtelijke ordening niet in een daartoe aangewezen gebied moeten worden afgezonderd, voor groene ruimten, voor sociaal-culturele inrichtingen, voor openbare nutsvoorzieningen, voor toeristische voorzieningen, voor agrarische bedrijven. Deze bedrijven, voorzieningen en inrichtingen mogen echter maar worden toegestaan voor zover ze verenigbaar zijn met de onmiddellijke omgeving.
De woongebieden met een landelijk karakter zijn bestemd voor woningbouw in het algemeen en tevens voor landbouwbedrijven.
De agrarische gebieden zijn bestemd voor de landbouw in de ruime zin. Behoudens bijzondere bepalingen mogen de agrarische gebieden enkel bevatten de voor het bedrijf noodzakelijke gebouwen, de woning van de exploitanten, benevens verblijfsgelegenheid voor zover deze een integrerend deel van een leefbaar bedrijf uitmaakt, en eveneens para-agrarische bedrijven. Gebouwen bestemd voor niet aan de grond gebonden agrarische bedrijven met industrieel karakter of voor intensieve veeteelt, mogen slechts opgericht worden op ten minste 300 m van een woongebied of op ten minste 100 m van een woonuitbreidingsgebied, tenzij het een woongebied met landelijk karakter betreft. De afstand van 300 en 100 m geldt evenwel niet in geval van uitbreiding van bestaande bedrijven. De overschakeling naar bosgebied is toegestaan overeenkomstig de bepalingen van artikel 35 van het Veldwetboek, betreffende de afbakening van de landbouw- en bosgebieden.
De aangevraagde regularisatie van de tuinberging, gelegen in woongebied met landelijk karakter, is in overeenstemming met de voorschriften van het geldende gewestplan. De aanleg van het zwembad in agrarisch gebied is niet in overeenstemming met de bestemmingsvoorschriften van het gewestplan.
Op het perceel is echter een goedgekeurde, niet-vervallen verkaveling van meer dan 15 jaar oud van toepassing. De verkavelingsvoorschriften vormen bijgevolg het relevante beoordelingskader voor de aanvraag.
Het project is volgens het Gewestelijk RUP ‘Afbakening grootstedelijk gebied Antwerpen’, goedgekeurd op 19 juni 2009, niet gelegen binnen de afbakeningslijn grootstedelijk gebied Antwerpen.
De gewestplanbestemming is van toepassing.
De aanvraag is niet gelegen binnen de grenzen van een goedgekeurd BPA of gemeentelijk RUP, maar wel binnen de omschrijving van een vergunde en niet vervallen verkaveling.
De aanvraag is gelegen binnen de grenzen van de verkaveling 1978/1 goedgekeurd op 11/08/1978, gekend als lot 3 en gewijzigd bij verkaveling 2008/3 goedgekeurd op 04/05/2009, gekend als lot 3A.
De aanleg van een zwembad is in overeenstemming met de voorschriften van de verkaveling. De aanvraag voor de regularisatie van de tuinberging wijkt af van de verkavelingsvoorschriften voor wat betreft de materialen en de inplanting van een constructie in de bouwvrije zijtuinstrook:
'behoudens de afsluitingsmuurtjes en autogarages, zoals bepaald in artikel 1.05 4° en 8°: alle constructies verboden , met inbegrip van hellende op- en afritten
Overeenkomstig artikel 4.4.1, §1 kan beperkt worden afgeweken van onder meer de inplanting van constructies en de gebruikte materialen. Een afwijking van een essentieel element van de verkaveling kan evenwel niet worden toegestaan.
Artikel 2 van de verkavelingsvoorschriften laat bergplaatsen en hokken toe in de binnenplaatsen en tuinen. Daarnaast laat artikel 1.05, 8° garages toe binnen de bouwvrije zijtuinstrook.
Uit die samenlezing kan worden afgeleid dat de verkaveling de aanwezigheid van ondergeschikte bijgebouwen in de tuinzone en zelfs in de bouwvrije zijtuinstrook niet principieel uitsluit. De plaatsing van een tuinhuis in de zijtuinstrook wijkt dan wel af van de concrete inplantingsvoorschriften, maar raakt niet aan de fundamentele ruimtelijke opzet van de verkaveling. Om die reden kan worden gemotiveerd dat geen sprake is van een afwijking van een essentieel planelement, maar van een beperkte afwijking inzake inplanting zoals bedoeld in artikel 4.4.1 VCRO.
Ook de afwijking inzake materiaalgebruik kan als beperkt worden beschouwd. De keuze voor hout betreft een hedendaagse en kwalitatieve architecturale afwerking die gebruikelijk is voor tuinbergingen.
Rooilijn
Het perceel wordt niet getroffen door de rooilijn van de Akkerstraat MB 03/065/1982.
Uitgeruste weg
In toepassing op het artikel 4.3.5 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening (VCRO) kan gesteld worden dat de Akkerstraat een voldoende uitgeruste openbare weg is.
Op het verkavelingsplan is ter hoogte van de rechterzijde van het perceel een strook aangeduid waarop een erfdienstbaarheid rust. De erfdienstbaarheid situeert zich deels binnen het betrokken perceel en loopt verder over het aangrenzende perceel.
Riolering
De richtlijnen inzake aansluiting op de riolering en IBA-beheer kunnen worden bekomen bij Water-link (www.water-link.be of 078/35.35.09).
Het perceel is gelegen in centraal gebied. Aangezien de betreffende omgevingsvergunning zich situeert in een gebied met bestaande riolering die reeds is aangesloten op een zuiveringsinstallatie, dient het zwart water van de betreffende constructie via een septische put met Benor-certificaat te worden aangesloten op de bestaande riolering.
Openbaar onderzoek
De aanvraag werd openbaar gemaakt van 16 juli 2026 tot 14 augustus 2026.
Er werden geen bezwaarschriften ingediend.
Watertoets
Het voorliggende project heeft geen omvangrijke oppervlakte en ligt niet in een recent overstroomd gebied of een overstromingsgebied. Er kan in alle redelijkheid gesteld worden dat de constructies geen bijkomende hinder zullen veroorzaken op voorwaarde dat het hemelwater op een natuurlijke wijze kan afwateren naar de aangrenzende groenzones of kan infiltreren in eigen bodem.
De overloop van de filter van een zwembad dient op DWA te worden aangesloten. Verder kan het zwembad bij regen afwateren naar de omliggende groenzone.
Voor het ledigen van het zwembad dient navraag gedaan te worden bij de betreffende rioolbeheerder of dit op RWA of DWA dient te gebeuren.
Project-MER
Het project komt niet voor op de lijsten gevoegd als bijlage I, II en III van het besluit van de Vlaamse Regering van 24 oktober 2025 (en latere wijzigingen) houdende vaststelling van de categorieën van projecten onderworpen aan milieueffectrapportage. Er dient derhalve geen project-milieueffectrapportage noch een project-milieueffectrapportage-screeningsnota te worden opgesteld voor de aanvraag.
Inhoudelijke beoordeling van de goede ruimtelijke ordening
Deze beoordeling, als uitvoering van art. 1.1.4 van de codex gericht op een duurzame ruimtelijke ontwikkeling en met oog voor de ruimtelijke draagkracht, de gevolgen voor het leefmilieu en de culturele, economische, esthetische en sociale gevolgen, houdt rekening met de volgende criteria als uitvoering van art. 4.3.1 van de VCRO:
Functionele inpasbaarheid
Het aanleggen van een zwembad en een tuinberging bij een eengezinswoning is functioneel inpasbaar bij de bestaande woonfunctie.
Mobiliteitsimpact
Het project heeft geen bijkomende impact op de mobiliteit.
Schaal, ruimtegebruik en bouwdichtheid
De voorliggende aanvraag heeft betrekking op de aanleg van een zwembad met een grondoppervlakte van 46,44 m² en het regulariseren van een tuinberging met een oppervlakte van 8,84 m². Deze ingrepen voegen bijkomend ruimtegebruik en verharding toe aan een reeds bebouwd en verhard perceel.
Bij de beoordeling van het ruimtegebruik vertrekt de dienst omgeving vanuit de visie dat op ieder perceel een voldoende ruime en samenhangende groene ruimte behouden moet blijven. Deze groene ruimte vormt de zogenaamde groene mal. De bebouwing, verhardingen en andere constructies worden binnen deze ruimtelijke structuur ingepast, zodat de tuin niet wordt herleid tot versnipperde restzones tussen verschillende constructies.
De groene mal heeft niet alleen betrekking op de oppervlakte die onbebouwd en onverhard blijft. Ook de ruimtelijke kwaliteit ervan is relevant. Een kwalitatieve groene mal vormt een samenhangende en bruikbare buitenruimte, biedt mogelijkheden voor infiltratie en groenaanleg en laat voldoende ruimte voor onder meer bomen en andere beplanting.
Om deze visie op een consistente wijze te vertalen naar verschillende perceelsgroottes, hanteert de dienst omgeving een richtinggevend berekeningsmodel. Daarbij wordt de perceeloppervlakte opgedeeld in verschillende schijven waarbij voor grotere percelen verhoudingsgewijs een grotere groene ruimte als wenselijk wordt beschouwd.
Deze berekening vormt geen verordenend stedenbouwkundig voorschrift en legt geen bindende minimale groenoppervlakte vast. Zij vormt een hulpmiddel bij de concrete beoordeling van het ruimtegebruik overeenkomstig artikel 4.3.1, §2 VCRO. De berekende oppervlakte wordt steeds samen beoordeeld met de samenhang en bruikbaarheid van de resterende tuinzone, de mogelijkheden voor infiltratie en groenaanleg en de ruimtelijke impact van de aangevraagde constructies.
Het perceel heeft een oppervlakte van ongeveer 824 m². De richtinggevende vertaling van de groene mal resulteert voor een perceel van deze omvang in een referentiewaarde van ongeveer 501,60 m² groene ruimte.
Na uitvoering van de aanvraag blijft ongeveer 503 m² onbebouwde en onverharde ruimte behouden.
Belangrijker dan deze cijfermatige verhouding is dat de resterende groene ruimte een ruime en samenhangende tuinzone vormt. Het zwembad en de tuinberging worden binnen deze structuur ingepast en leiden niet tot een versnippering van de tuin waarbij uitsluitend beperkte restzones overblijven. Er blijft voldoende ruimte beschikbaar voor een kwalitatieve tuininrichting, infiltratie en groenaanleg.
De aanvraag respecteert daarmee de visie van de groene mal waarbij bebouwing, verharding en andere constructies ondergeschikt blijven aan een voldoende ruime en samenhangende groene structuur. Gelet op de omvang en kwaliteit van de resterende tuinzone kan worden besloten dat de aangevraagde ingrepen niet leiden tot een overmatige intensivering van het ruimtegebruik. De richtinggevende berekening ondersteunt deze beoordeling, maar is op zichzelf niet doorslaggevend.
Visueel-vormelijke elementen
De voorgestelde materiaalkeuze, zijnde hout, betreft een hedendaagse maar kwalitatieve architecturale afwerking die gebruikelijk is voor een tuinberging
De tuinberging integreert zich op aanvaardbare wijze in de bestaande tuinzone.
Het voorgestelde volume blijft ondergeschikt aan de hoofdwoning en behoudt, gelet op de beperkte hoogte en de positionering in de zijtuin een voldoende terughoudend karakter binnen het ruimere straat- en tuinbeeld.
Cultuurhistorische aspecten
De aanvraag heeft geen betrekking op een beschermd monument of een goed dat voorkomt op de vastgestelde inventaris van het bouwkundig erfgoed. De plaats van de aanvraag is evenmin gelegen in een beschermd dorpsgezicht of beschermd landschap. Een archeologienota (zoals vermeld in art. 5.4.1 van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013) is niet vereist, omdat de aanvraag voldoet aan de voorwaarden die het decreet heeft bepaald.
Bodemreliëf
Er wordt geen aanpassing aan het bodemreliëf voorgesteld.
Andere hinderaspecten inzake gezondheid, gebruiksgenot en veiligheid in het algemeen
De aanvraag bevat geen elementen waarvan kan verwacht worden dat ze enige invloed op de gezondheid, het gebruiksgenot en de veiligheid in het algemeen kunnen hebben.
Bespreking adviezen
De dienst Integraal Waterbeleid van de provincie Antwerpen heeft op 18 augustus 2026 laten weten geen bezwaar te hebben tegen de voorliggende aanvraag. Er dient echter ten allen tijde voldaan te zijn aan de bepalingen in de Gewestelijke Stedenbouwkundige Verordening Hemelwater en het Decreet Integraal Waterbeleid.
De overloop van de filter van een zwembad dient op DWA te worden aangesloten. Verder kan het zwembad bij regen afwateren naar de omliggende groenzone.
Conclusie gemeentelijk omgevingsambtenaar
Op basis van de bovenvermelde motivering wordt de aanvraag geadviseerd mits te voldoen aan volgende voorwaarden:
● De overloop van de filter van een zwembad dient op DWA te worden aangesloten. Verder kan het zwembad bij regen afwateren naar de omliggende groenzone.
● Voor het ledigen van het zwembad dient navraag gedaan te worden bij de betreffende rioolbeheerder of dit op RWA of DWA dient te gebeuren.
Conclusie college van burgemeester en schepenen
Het college sluit zich aan bij het advies van de gemeentelijke omgevingsambtenaar en maakt dit zich eigen.
BESLUIT:
Artikel 1
Het college van burgemeester en schepenen levert de voorwaardelijke omgevingsvergunning af voor het aanleggen van een zwembad en regulariseren van een tuinhuis.
Artikel 2
De omgevingsvergunning heeft enkel betrekking op de aangevraagde handelingen.
Artikel 3
Volgende voorwaarden en/of lasten worden opgelegd:
Stedenbouwkundige voorwaarden
Algemene voorwaarden
Deze beslissing stelt de aanvrager niet vrij van het aanvragen en verkrijgen van eventuele andere vergunningen of machtigingen, als die nodig zouden zijn.
Verval van de omgevingsvergunning – uittreksel uit het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning
Artikel 99. § 1. De omgevingsvergunning vervalt van rechtswege in elk van de volgende gevallen:
1° als de verwezenlijking van de vergunde stedenbouwkundige handelingen niet wordt gestart binnen de twee jaar na het verlenen van de definitieve omgevingsvergunning;
2° als het uitvoeren van de vergunde stedenbouwkundige handelingen meer dan drie opeenvolgende jaren wordt onderbroken;
3° als de vergunde gebouwen niet winddicht zijn binnen drie jaar na de aanvang van de vergunde stedenbouwkundige handelingen;
4° als de exploitatie van de vergunde activiteit of inrichting niet binnen vijf jaar na het verlenen van de definitieve omgevingsvergunning aanvangt.
Als de omgevingsvergunning uitdrukkelijk melding maakt van de verschillende fasen van het bouwproject, worden de termijnen van twee of drie jaar, vermeld in het eerste lid, gerekend per fase. Voor de tweede fase en de volgende fasen worden de termijnen van verval bijgevolg gerekend vanaf de aanvangsdatum van de fase in kwestie.
§ 2. De omgevingsvergunning voor de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit vervalt van rechtswege in elk van de volgende gevallen:
1° als de exploitatie van de vergunde activiteit of inrichting meer dan vijf opeenvolgende jaren wordt onderbroken;
2° als de ingedeelde inrichting vernield is wegens brand of ontploffing veroorzaakt ten gevolge van de exploitatie;
3° als de exploitatie op vrijwillige basis volledig en definitief wordt stopgezet overeenkomstig de voorwaarden en de regels, vermeld in het decreet van 9 maart 2001 tot regeling van de vrijwillige, volledige en definitieve stopzetting van de productie van alle dierlijke mest, afkomstig van een of meerdere diersoorten, en de uitvoeringsbesluiten ervan. De Vlaamse Regering kan nadere regels bepalen voor de inkennisstelling van de stopzetting.
§ 3. Als de gevallen, vermeld in paragraaf 1, betrekking hebben op een gedeelte van het bouwproject, vervalt de omgevingsvergunning alleen voor het niet-afgewerkte gedeelte van een bouwproject. Een gedeelte is eerst afgewerkt als het, in voorkomend geval na de sloping van de niet-afgewerkte gedeelten, kan worden beschouwd als een afzonderlijke constructie die voldoet aan de bouwfysische vereisten.
Als de gevallen, vermeld in paragraaf 1 of 2, alleen betrekking hebben op een gedeelte van de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit, vervalt de omgevingsvergunning alleen voor dat gedeelte.
Artikel 100. De omgevingsvergunning blijft onverkort geldig als de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit van een project door een wijziging van de indelingslijst van klasse 1 naar klasse 2 overgaat of omgekeerd.
In geval de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit van een project door een wijziging van de indelingslijst van klasse 1 of 2 naar klasse 3 overgaat, geldt de vergunning als aktename en blijven de bijzondere voorwaarden gelden.
Artikel 101. De termijnen van twee, drie of vijf jaar, vermeld in artikel 99, worden geschorst zolang een beroep tot vernietiging van de omgevingsvergunning aanhangig is bij de Raad voor Vergunningsbetwistingen, overeenkomstig hoofdstuk 9 behoudens indien de vergunde handelingen in strijd zijn met een vóór de definitieve uitspraak van de Raad van kracht geworden ruimtelijk uitvoeringsplan. In dat laatste geval blijft het eventuele recht op planschadevergoeding desalniettemin behouden.
De termijnen van twee of drie jaar, vermeld in artikel 99, worden geschorst tijdens het uitvoeren van de archeologische opgraving, omschreven in de bekrachtigde archeologienota overeenkomstig artikel 5.4.8 van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013 en in de bekrachtigde nota overeenkomstig artikel 5.4.16 van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013, met een maximumtermijn van een jaar vanaf de aanvangsdatum van de archeologische opgraving.
De termijnen van twee of drie jaar, vermeld in artikel 99, worden geschorst tijdens het uitvoeren van de bodemsaneringswerken van een bodemsaneringsproject waarvoor de OVAM overeenkomstig artikel 50, § 1, van het Bodemdecreet van 27 oktober 2006 een conformiteitsattest heeft afgeleverd, met een maximumtermijn van drie jaar vanaf de aanvangsdatum van de bodemsaneringswerken.
De termijnen van twee of drie jaar, vermeld in artikel 99, worden geschorst zolang een bekrachtigd stakingsbevel, zoals vermeld in titel VI, niet wordt ingetrokken, hetzij niet wordt opgeheven bij een in kracht van gewijsde gegane beslissing. De schorsing eindigt van rechtswege wanneer geen opheffing van het stakingsbevel wordt gevorderd of geen intrekking wordt gedaan binnen een termijn van twee jaar vanaf de bekrachtiging van het stakingsbevel.
Beroepsmogelijkheden – uittreksel uit het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning
Artikel 52. De Vlaamse Regering is bevoegd in laatste administratieve aanleg voor beroepen tegen uitdrukkelijke of stilzwijgende beslissingen van de deputatie in eerste administratieve aanleg.
De deputatie is voor haar ambtsgebied bevoegd in laatste administratieve aanleg voor beroepen tegen uitdrukkelijke of stilzwijgende beslissingen van het college van burgemeester en schepenen in eerste administratieve aanleg.
Artikel 53. Het beroep kan worden ingesteld door:
1° de vergunningsaanvrager, de vergunninghouder of de exploitant;
2° het betrokken publiek;
3° de leidend ambtenaar van de adviesinstanties of bij zijn afwezigheid zijn gemachtigde als de adviesinstantie tijdig advies heeft verstrekt of als aan hem ten onrechte niet om advies werd verzocht;
4° het college van burgemeester en schepenen als het tijdig advies heeft verstrekt of als het ten onrechte niet om advies werd verzocht;
5° de leidend ambtenaar van het Departement Leefmilieu, Natuur en Energie of bij zijn afwezigheid zijn gemachtigde;
6° de leidend ambtenaar van het Departement Ruimtelijke Ordening, Woonbeleid en Onroerend Erfgoed of bij zijn afwezigheid zijn gemachtigde.
Artikel 54. Het beroep wordt op straffe van onontvankelijkheid ingesteld binnen een termijn van dertig dagen die ingaat:
1° de dag na de datum van de betekening van de bestreden beslissing voor die personen of instanties aan wie de beslissing betekend wordt;
2° de dag na het verstrijken van de beslissingstermijn als de omgevingsvergunning in eerste administratieve aanleg stilzwijgend geweigerd wordt;
3° de dag na de eerste dag van de aanplakking van de bestreden beslissing in de overige gevallen.
Artikel 55. Het beroep schorst de uitvoering van de bestreden beslissing tot de dag na de datum van de betekening van de beslissing in laatste administratieve aanleg.
In afwijking van het eerste lid werkt het beroep niet schorsend ten aanzien van:
1° de vergunning voor de verdere exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit waarvoor ten minste twaalf maanden voor de einddatum van de omgevingsvergunning een vergunningsaanvraag is ingediend;
2° de vergunning voor de exploitatie na een proefperiode als vermeld in artikel 69;
3° de vergunning voor de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit die vergunningsplichtig is geworden door aanvulling of wijziging van de indelingslijst.
Artikel 56. Het beroep wordt op straffe van onontvankelijkheid per beveiligde zending ingesteld bij de bevoegde overheid, vermeld in artikel 52.
Degene die het beroep instelt, bezorgt op straffe van onontvankelijkheid gelijktijdig en per beveiligde zending een afschrift van het beroepschrift aan:
1° de vergunningsaanvrager behalve als hij zelf het beroep instelt;
2° de deputatie als die in eerste administratieve aanleg de beslissing heeft genomen;
3° het college van burgemeester en schepenen behalve als het zelf het beroep instelt.
De Vlaamse Regering bepaalt de bewijsstukken die bij het beroep moeten worden gevoegd opdat het op ontvankelijke wijze wordt ingesteld.
Artikel 57. De bevoegde overheid, vermeld in artikel 52, of de door haar gemachtigde ambtenaar onderzoekt het beroep op zijn ontvankelijkheid en volledigheid.
Als niet alle stukken als vermeld in artikel 56, derde lid, bij het beroep zijn gevoegd, kan de bevoegde overheid of de door haar gemachtigde ambtenaar de beroepsindiener per beveiligde zending vragen om binnen een termijn van veertien dagen die ingaat de dag na de verzending van het vervolledigingsverzoek, de ontbrekende gegevens of documenten aan het beroep toe te voegen.
Als de beroepsindiener nalaat de ontbrekende gegevens of documenten binnen de termijn, vermeld in het tweede lid, aan het beroep toe te voegen, wordt het beroep als onvolledig beschouwd.
Beroepsmogelijkheden – regeling van het besluit van de Vlaamse Regering decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning
Het beroepschrift bevat op straffe van onontvankelijkheid:
1° de naam, de hoedanigheid en het adres van de beroepsindiener;
2° de identificatie van de bestreden beslissing en van het onroerend goed, de inrichting of exploitatie die het voorwerp uitmaakt van die beslissing;
3° als het beroep wordt ingesteld door een lid van het betrokken publiek:
een omschrijving van de gevolgen die hij ingevolge de bestreden beslissing ondervindt of waarschijnlijk ondervindt;
b) het belang dat hij heeft bij de besluitvorming over de afgifte of bijstelling van een omgevingsvergunning of van vergunningsvoorwaarden;
4° de redenen waarom het beroep wordt ingesteld.
Het beroepsdossier bevat de volgende bewijsstukken:
1° in voorkomend geval, een bewijs van betaling van de dossiertaks;
2° de overtuigingsstukken die de beroepsindiener nodig acht;
3° in voorkomend geval, een inventaris van de overtuigingsstukken, vermeld in punt 2°.
Als de bewijsstukken, vermeld in het tweede lid, ontbreken, kan hieraan verholpen worden overeenkomstig artikel 57, tweede lid, van het decreet van 25 april 2014.
Het beroepsdossier wordt ingediend met een analoge of een digitale zending.
Het bevoegde bestuur kan bij de beroepsindiener, de vergunningsaanvrager of de overheid die in eerste administratieve aanleg bevoegd is, alle beschikbare informatie en documenten opvragen die nuttig zijn voor het dossier.
De beroepsindiener geeft, op straffe van verval, uitdrukkelijk in zijn beroepschrift aan of hij gehoord wil worden.
Als de vergunningsaanvrager gehoord wil worden, brengt hij het bevoegde bestuur daarvan uitdrukkelijk op de hoogte met een beveiligde zending uiterlijk vijftien dagen nadat hij een afschrift van het beroepschrift als vermeld in artikel 56 van het decreet van 25 april 2014, heeft ontvangen, op voorwaarde dat hij niet de beroepsindiener is.
Mededeling
Deze gegevens kunnen worden opgeslagen in een of meer bestanden. Die bestanden kunnen zich bevinden bij de gemeente, waar u de aanvraag hebt ingediend, bij de provincie, en ook bij de Vlaamse administratie, bevoegd voor de omgevingsvergunning. Ze worden gebruikt voor de behandeling van uw dossier. Ze kunnen ook gebruikt worden voor het opmaken van statistieken en voor wetenschappelijke doeleinden. U hebt het recht om uw gegevens in deze bestanden in te kijken en zo nodig de verbetering ervan aan te vragen.
Register der bekendmakingen
Deze webpagina vormt het openbare register van gemeentelijke reglementen en verordeningen, in overeenstemming met het besluit van de Vlaamse regering van 28 april 2023 betreffende de bekendmakingen en raadpleegbaarheid van besluiten en documenten van het lokale bestuur met betrekking tot de manier waarop ze moeten worden bijgehouden.
Wanneer een publicatie wordt uitgevoerd, zal er een expliciete "bundel" van het document worden opgeslagen. Op dat moment is het document inhoudelijk niet meer aanpasbaar door de gebruiker.
Deze "bundel" bestaat uit:
De inhoud van de publicatie op het moment dat deze werd uitgevoerd.
Een unieke identificatie van de gebruiker die de actie heeft uitgevoerd.
De tijdstempel waarop de actie heeft plaatsgevonden.
Al deze gegevens staan in een aparte publicatie omgeving die beveiligd en toegankelijk is voor een beperkt aantal personen.