BESLUIT ZONDER VISUM VAN HET COLLEGE VAN BURGEMEESTER EN SCHEPENEN
Zitting van dinsdag 7 april 2026
Aanwezig: Thierry Lens (burgemeester);Bart Van Couwenberghe, Dave Van den Bergh, Lenn De Cleene (Schepenen);Martine Cuyvers (Waarnemend algemeen directeur); |
Verontschuldigd: Sofie Lemmens (schepen);Anke Dehuisser (algemeen directeur); |
OMV 2026/26 - De Ster 23 - vergunning
Het college van burgemeester en schepenen, in geheime zitting,
Juridische achtergrond
Artikel 56, §2, 7° van het Decreet over het Lokaal Bestuur bepaalt dat het college van burgemeester en schepenen bevoegd is over de beslissingen die een wet, een decreet of een uitvoeringsbesluit uitdrukkelijk aan het college van burgemeester en schepenen voorbehoudt;
Besluit van de Vlaamse Regering van 23 mei 2003 tot bepaling van de handelingen die vrijgesteld zijn van de medewerking van de architect.
Artikel 8 van het decreet van 18 juli 2003 betreffende het integraal waterbeleid, gecoördineerd op 15 juni 2018, verplicht elke vergunningverlenende overheid ertoe om de potentieel schadelijke effecten van de voorgenomen werken op het watersysteem te onderzoeken.
Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening gecoördineerd bij besluit van de Vlaamse regering van 15 mei 2009 (BS 20 augustus 2009), en latere wijzigingen, hierna genoemd de VCRO en latere wijzigingsdecreten.
Besluit van de Vlaamse Regering van 16 juli 2010 betreffende de meldingsplichtige handelingen ter uitvoering van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening en latere wijzigingen;
Besluit van de Vlaamse Regering tot vaststelling van een gewestelijke stedenbouwkundige verordening inzake hemelwater, tot wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 16 juli 2010 tot bepaling van stedenbouwkundige handelingen waarvoor geen omgevingsvergunning nodig is en tot opheffing van het besluit van de Vlaamse Regering van 5 juli 2013 houdende vaststelling van een gewestelijke stedenbouwkundige verordening inzake hemelwaterputten, infiltratievoorzieningen, buffervoorzieningen en gescheiden lozing van afvalwater en hemelwater.
Decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning en latere wijzigingen;
Besluit van de Vlaamse Regering van 27 november 2015 betreffende de omgevingsvergunning en latere wijzigingen;
Decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid (DABM) + bijlagen en latere wijzigingen;
Besluit van de Vlaamse Regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne (VLAREM II) en latere wijzigingen;
Besluit van de Vlaamse Regering van 16 mei 2014 houdende bijkomende algemene milieuvoorwaarden (VLAREM III) voor GPBV-installaties en latere wijzigingen;
Besluit van de gemeenteraad van 25 juni 2012 betreft de verordening rond het kappen van bomen.
Besluit van de gemeenteraad van 16 december 2025 tot vaststelling van een retributiereglement voor meldingen en aanvragen van omgevingsvergunningen;
Feiten en context
De aanvraag ingediend door Tom Berckmoes wonende Schoenstraat 40 te 2140 Antwerpen, werd per beveiligde zending verzonden op 12 februari 2026. Deze aanvraag werd ontvangen op 12 februari 2026.
De aanvraag werd ontvankelijk en volledig verklaard op 3 maart 2026.
De aanvraag heeft betrekking op een terrein, gelegen De Ster 23, kadastraal bekend: afdeling 1 sectie A nr. 12Z2.
Het betreft een aanvraag tot het rooien van drie kastanjebomen.
De aanvraag omvat:
● stedenbouwkundige handelingen
Het college van burgemeester en schepenen heeft deze aanvraag onderzocht, rekening houdend met de terzake geldende wettelijke bepalingen, in het bijzonder met het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning, het decreet houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid, de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening en hun uitvoeringsbesluiten.
Historiek
● Op 28/10/1985 werd een stedenbouwkundige vergunning (1985/114) voor vellen van bomen geweigerd door het college van burgemeester en schepenen.
● Op 23/09/1985 werd een stedenbouwkundige vergunning (1985/92) voor bouw van een woning en het rooien van 26 bomen (rond het gebouw) afgeleverd door het college van burgemeester en schepenen.
Adviezen
Milieu dd. 19 maart 2026: voorwaardelijk gunstig (zie bijlage)
Gemeentelijk omgevingsambtenaar dd. 23 maart 2026: voorwaardelijk gunstig
Argumentatie
Beschrijving van de aangevraagde stedenbouwkundige handelingen
De aanvraag betreft het rooien van in totaal drie bomen, drie tamme kastanjes.
Beschrijving van de bouwplaats, de omgeving
De aanvraag situeert zich op een perceel gelegen ten noordwesten van de kern van de gemeente Hove nabij de grens met de stad Mortsel. Het perceel grenst aan de westzijde aan het parkdomein van het kasteel Cappenberg. Het betreffende perceel is bebouwd met een vrijstaande eengezinswoning.
Toetsing aan de voorschriften
Het gevraagde is volgens het gewestplan Antwerpen, goedgekeurd op 3 oktober 1979, voor 63% gelegen in woongebied en voor 36% gelegen in parkgebied.
Volgende voorschriften zijn van toepassing:
De woongebieden zijn bestemd voor wonen, alsmede voor handel, dienstverlening, ambacht en kleinbedrijf voor zover deze taken van bedrijf om redenen van goede ruimtelijke ordening niet in een daartoe aangewezen gebied moeten worden afgezonderd, voor groene ruimten, voor sociaal-culturele inrichtingen, voor openbare nutsvoorzieningen, voor toeristische voorzieningen, voor agrarische bedrijven. Deze bedrijven, voorzieningen en inrichtingen mogen echter maar worden toegestaan voor zover ze verenigbaar zijn met de onmiddellijke omgeving.
De parkgebieden moeten in hun staat bewaard worden of zijn bestemd om zodanig ingericht te worden, dat ze, in de al dan niet verstedelijkte gebieden, hun sociale functie kunnen vervullen.
De aanvraag situeert zich in het woongebied en is in overeenstemming met de voorschriften van het geldende gewestplan.
Het project is volgens het Gewestelijk RUP ‘Afbakening grootstedelijk gebied Antwerpen’, goedgekeurd op 19 juni 2009, gelegen binnen de afbakeningslijn grootstedelijk gebied Antwerpen.
Volgende relevante stedenbouwkundige voorschriften zijn van toepassing:
De gebieden binnen de afbakeningslijn behoren tot het grootstedelijk gebied Antwerpen. Met uitzondering van de deelgebieden waarvoor in dit plan voorschriften werden vastgelegd, blijven de op het ogenblik van de vaststelling van dit plan bestaande bestemmings- en inrichtingsvoorschriften onverminderd van toepassing. De bestaande voorschriften kunnen daar door voorschriften in nieuwe gewestelijke, provinciale en gemeentelijke ruimtelijke uitvoeringsplannen of BPA’s worden vervangen. Bij de vaststelling van die plannen en bij overheidsprojecten binnen de grenslijn gelden de relevante bepalingen van de ruimtelijke structuurplannen, conform de decretale bepalingen in verband met de verbindende waarde van die ruimtelijke structuurplannen.
Het perceel valt niet binnen een deelgebied waarvoor bestemmingsvoorschriften zijn vastgesteld. De gewestplanbestemming is van toepassing.
De aanvraag is niet gelegen binnen de grenzen van een goedgekeurd BPA of gemeentelijk RUP, noch binnen de omschrijving van een vergunde en niet vervallen verkaveling.
De aanvraag wordt als volgt getoetst aan de voorschriften van het gewestplan en de gebruikelijke inzichten en noden betreffende een goede ruimtelijke ordening ter plaatse.
De aanvraag is in overeenstemming met de gebiedsbestemming en met de stedenbouwkundige voorschriften.
Rooilijn
Het perceel wordt niet getroffen door een rooilijn.
Uitgeruste weg
In toepassing op de artikelen 4.3.5 tot en met 4.3.8 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening (VCRO) kan gesteld worden dat de De Ster een voldoende uitgeruste openbare weg is.
Openbaar onderzoek
Er werd geen openbaar onderzoek gehouden; de aanvraag valt immers niet onder de aanvragen voor een omgevingsvergunning die moeten openbaar gemaakt worden.
Raadpleging aanpalende eigenaar
Artikel 83 van het omgevingsvergunningsbesluit is niet van toepassing.
Watertoets
De Gewestelijke Stedenbouwkundige Verordening inzake hemelwaterputten, infiltratievoorzieningen e.d. is niet van toepassing op dit project.
Project-MER
Het project komt niet voor op de lijsten gevoegd als bijlage I, II en III van het besluit van de Vlaamse Regering van 10 december 2004 (en latere wijzigingen) houdende vaststelling van de categorieën van projecten onderworpen aan milieueffectrapportage. Er dient derhalve geen project-milieueffectrapportage noch een project-milieueffectrapportage-screeningsnota te worden opgesteld voor de aanvraag.
Inhoudelijke beoordeling van de goede ruimtelijke ordening
Deze beoordeling, als uitvoering van art. 1.1.4 van de codex gericht op een duurzame ruimtelijke ontwikkeling en met oog voor de ruimtelijke draagkracht, de gevolgen voor het leefmilieu en de culturele, economische, esthetische en sociale gevolgen, houdt rekening met de volgende criteria als uitvoering van art. 4.3.1 van de VCRO:
Functionele inpasbaarheid
Er wordt geen functiewijziging doorgevoerd.
Mobiliteit
De aanvraag voorziet geen wijzigingen aan parkeren, fietsgebruik of autogebruik.
Schaal, ruimtegebruik en bouwdichtheid
Op het perceel worden geen bijkomende constructies, verhardingen en ruimte-inname voorzien.
Visueel-vormelijke elementen
De aanvraag heeft betrekking op het rooien van drie bomen. Het advies van de gemeentelijk Milieudienst wordt bijgetreden. Het uitgebreide advies werd toegevoegd onder de rubriek “Beoordeling externe adviezen”.
Cultuurhistorische aspecten
De aanvraag betreft geen beschermd monument, de aanvraag is wel gelegen in de nabijheid van het beschermd stads- of dorpsgezicht 'Kasteel Cappenberg met omgeving'. Het betreft geen klein landschaps- of groenelement dat is opgenomen in de inventaris van het Bouwkundig Erfgoed.
Bodemreliëf
De aanvraag voorziet geen reliëfwijzigingen.
Andere hinderaspecten inzake gezondheid, gebruiksgenot en veiligheid in het algemeen
De aanvraag bevat geen elementen waarvan kan verwacht worden dat ze enige invloed op de gezondheid, het gebruiksgenot en de veiligheid in het algemeen kunnen hebben.
Bespreking adviezen
De gemeentelijke milieudienst Hove bracht dd. 19 maart 2026 een voorwaardelijk gunstig advies uit. Het advies luidt als volgt.
[…]
Bespreking van de aanvraag
Het terrein bestaat uit een klassieke tuinaanleg bestaande uit een gazon en groenaanplanting bij een woning opgetrokken in 1985. Op het terrein zijn enkele grote bomen aanwezig.
Het terrein is ingetekend op de biologische waarderingskaart (versie 1) als 'biologisch waardevol' (karteringseenheid: Kasteelpark).
Er werd een verslag aan de aanvraag toegevoegd dd. 12 februari 2026. Het verslag luidt als volgt:
[…]
Onderzoek en conclusie:
Het betreft twee bomen links vooraan de woning en een boom rechts achteraan de woning. Het betreft waarschijnlijk zaailingen van voor de verkaveling van de gronden in de jaren 70. Op luchtbeelden van de zomer van 1971 van geopunt.be is te zien dat er op het betrokken perceel geen huizen staan en dat het volledig bebost is. De bomen hebben een diameter van circa 45 cm voor wat betreft de bomen vooraan en circa 70 cm voor de boom achteraan op circa 1 meter boven het maaiveld en ze hebben een hoogte van circa 7 meter voor de bomen vooraan en 20 meter voor de boom achteraan. De bomen vooraan staan op 3 en 4 meter van de linker perceelgrens en op circa 4 meter uit de rooilijn. De boom achteraan staat op circa 13 meter van de achtergevel van de woning en op circa 4 meter van de rechter perceelgrens.
De conditie van de twee bomen vooraan is matig tot slecht. De bomen werden na 2009 (te zien op beelden van Google Streetview) geknot op circa 7 meter waarbij van beide bomen de zware gesteltakken werden teruggezet tot knotten. De eigenaar verklaarde dit jaren geleden te hebben laten uitvoeren op vraag van de gemeente gezien de bomen te ver en te laag over de straat hingen. Zij hebben zich toen laten bijstaan door een andere tuinaannemer/boomkapper met het huidige resultaat als gevolg. De bomen zijn de laatste jaren wel uitgelopen maar staan in ondergroei van grotere bomen op het eigen en naastliggend perceel. De rechtse van beide bomen heeft bastnecrose over een lengte van circa 2 meter over circa 30% van de omtrek. De matige hergroei en baststerfte is meer dan waarschijnlijk te wijten aan de rigoureuze snoei dit de bomen hebben moeten ondergaan.
De conditie van de boom achteraan is dalende, hier ging eerder al de bovenste 5 meter van de kroon uit. Momenteel zien we dat de boom van circa 20 meter hoogte voor de bovenste 5 meter terug afgestorven is. De onderste 15 meter vertoont een redelijke vertwijging en vertakking. De conditie is eerder als matig te beschouwen. Het is onduidelijk waarom de boom achteruitgaat gezien de omgeving al lange tijd stabiel is en er geen grote tuin- en/of graafwerken gebeurt zijn. Mogelijk is de boom geïnfecteerd door kastanjekanker (Cryphonectria parasitica) dewelke zich op dit moment opvallend snel uitbreidt in Vlaanderen. Als boomverzorger heb ik binnen mijn klantenkring enorm veel sterfte van oude tamme kastanjes (10 bomen met een diameter van meer dan 70 cm in de laatste 5 jaar) nabij en in het Ieperman park in Wilrijk.
Advies:
Gezien de onprofessionele snoeibeurt van een aantal jaar geleden waarbij de twee bomen vooraan tot op circa 7 meter werden teruggezet en de bastnecrose van een van de twee bomen, is de toekomstverwachting van beide bomen laag. Het zal zeer arbeidsintensief zijn om ofwel te blijven herknotten ofwel de kroon terug volwaardig te laten uitgroeien. Door het eerder knotten zal de aanhechting van een nieuwe volwaardige kroon steeds een zwakke plek blijven waardoor het ook op dit vlak onzeker en arbeidsintensief is of de bomen ooit volledig zullen herstellen. Voor een van de twee is de achteruitgang tevens onomkeerbaar (bastnecrose).
Gezien de gestage achteruitgang van de boom achteraan waarbij de laatste jaren de bovenste circa 10 meter van de kroon is afgestorven, lijkt het aangewezen om hier drastisch maatregelen te nemen en de boom te rooien. Enerzijds zou het periodiek terugzetten en begeleiden van de achteruitgang tot een gelijkaardig wintersilhouette als de geknotte bomen vooraan leiden. Anderzijds geeft de aanhoudende achteruitgang ook aan dat de boom niet bij machte is om de situatie om te keren. Tenslotte is het beter, als de boom zou aangetast zijn door kastanjekanker, de boom te verwijderen om zo verspreiding tegen te gaan.
Voor het vellen van de bomen zullen nieuwe bomen worden aangeplant. De lovenswaardige visie van de gemeente Hove om 2 op 1 heraanplant voorop te stellen is op dit perceel niet echt realistisch. De tuin is grotendeels voorzien van hoogstammig groen waardoor zes nieuwe bomen aanplanten op een plaats waar ze vol kunnen uitgroeien moeilijk ligt. De eigenaar is zeker bereid links vooraan een heraanplant te voorzien gezien de conditie van de eik vooraan ook aan het teruglopen is waardoor er bij uitval al opvolging is. Achteraan kunnen mogelijk ook nog twee bomen aangeplant worden om ook hier in successie te voorzien
Conclusie
De conclusie uit het verslag wordt bijgetreden. De drie bomen zijn niet meer in voldoende vitale toestand en hebben geen langdurige levensverwachting meer. De bomen vertonen duidelijke tekenen van aftakeling waardoor er een verhoogd risico is voor de omgeving. Het rooien van de bomen is aanvaardbaar mits het naleven van de volgende voorwaarden.
Het perceel heeft een oppervlakte van 13,68 are. Er is na het rooien van de betrokken bomen niet voldoende ruimte om alle bomen her aan te planten. Er is na het rooien van de bomen enkel voldoende ruimte om te voorzien van een middelgrote tot een grote boom, waarvan een boom in de voortuinzone en een in de achtertuinzone. Er dienen twee nieuwe bomen te worden aangeplant op eigen terrein.
Het algemeen soortenbesluit is van toepassing. De kap dient te gebeuren buiten het broedseizoen.
De bomen dienen te worden gecompenseerd door twee volwaardig, inheems alternatieven, eigen aan de streek (bv. een zomer- of wintereik, Beuk, Kastanje, e.d.) met een plantmaat van 14/16cm en met een stamhoogte gangbaar voor een hoogstammige boom.
De nieuwe bomen dienen te worden aangeplant in het eerstvolgende plantseizoen na het rooien van de huidige boom. Indien de nieuwe aan te planten bomen uitvallen dan dient deze te worden heraangeplant in het eerst daaropvolgende plantseizoen. De bomen moet de kans krijgen om volwaardig uit te groeien.
Bomen met een beperkte kruin of snoeivorm zoals bolbomen, leibomen, enz. worden niet aanvaard als volwaardige aanplant.
De aanvrager neemt alle voorzorgsmaatregelen om de nieuwe aanplanting te laten slagen. Dit houdt in een met zorg uitgevoerde aanplanting met kwalitatief plantgoed, het gebruik van steunpalen of wortelverankering en zo nodig het aanbrengen van een bescherming tegen vee- of wildvraat.
De aanplanting van de bomen en hagen dient te gebeuren conform artikel 3.133 en 3.134 van het Burgerlijk Wetboek.
De aanvrager dient de aanplant te kunnen bewijzen met o.a. aankoopfacturen.
Voorwaarden
● Het algemeen soortenbesluit is van toepassing. De kap dient te gebeuren buiten het broedseizoen;
● De aanplanting van de bomen dient te gebeuren conform artikel 3.133 en 3.134 van het Burgerlijk Wetboek;
● De bomen dienen te worden gecompenseerd door een volwaardig, inheems alternatief, eigen aan de streek (bv. een zomer- of wintereik, Beuk, Kastanje, e.d.);
● Een boom dient te worden aangeplant in de voortuinzone en een tweede in de achtertuinzone;
● De bomen dienen te worden aangeplant op eigen terrein;
● De bomen dienen een minimale plantmaat van 14/16cm te bezitten;
● De bomen dienen een stamhoogte te bezitten die gangbaar voor een hoogstammige boom;
● De nieuwe bomen dienen te worden aangeplant in het eerstvolgende plantseizoen na het rooien van de bestaande boom;
● Indien de nieuw aan te planten boom uitvalt dan dient deze te worden heraangeplant in het eerst daaropvolgende plantseizoen;
● De bomen moet de kans krijgen om volwaardig uit te groeien
● Bomen met een beperkte kruin of snoeivorm zoals bolbomen, leibomen, enz. worden niet aanvaard als volwaardige aanplant;
● De aanvrager neemt alle voorzorgsmaatregelen om de nieuwe aanplanting te laten slagen. Dit houdt in een met zorg uitgevoerde aanplanting met kwalitatief plantgoed, het gebruik van steunpalen of wortelverankering en zo nodig het aanbrengen van een bescherming tegen vee- en wildvraat.
Opmerking:
Indien voor de uitvoering van de werken een inname van het openbaar domein (rijweg, fiets- of voetpaden, e.d.) of een parkeerverbod nodig is, dient de aanvrager dit aan te vragen via de website van de gemeente of bij de dienst 'Mobiliteit, openbare werken en veiligheid' (MOWV) van de gemeente.
Conclusie gemeentelijk omgevingsambtenaar
Op basis van de bovenvermelde motivering wordt de aanvraag voorwaardelijk gunstig geadviseerd mits te voldoen aan volgende voorwaarden:
● Het algemeen soortenbesluit is van toepassing. De kap dient te gebeuren buiten het broedseizoen;
● De aanplanting van de bomen dient te gebeuren conform artikel 3.133 en 3.134 van het Burgerlijk Wetboek;
● De bomen dienen te worden gecompenseerd door een volwaardig, inheems alternatief, eigen aan de streek (bv. een zomer- of wintereik, Beuk, Kastanje, e.d.);
● Een boom dient te worden aangeplant in de voortuinzone en een tweede in de achtertuinzone;
● De bomen dienen te worden aangeplant op eigen terrein;
● De bomen dienen een minimale plantmaat van 14/16cm te bezitten;
● De bomen dienen een stamhoogte te bezitten die gangbaar voor een hoogstammige boom;
● De nieuwe bomen dienen te worden aangeplant in het eerstvolgende plantseizoen na het rooien van de bestaande boom;
● Indien de nieuw aan te planten boom uitvalt dan dient deze te worden heraangeplant in het eerst daaropvolgende plantseizoen;
● De bomen moet de kans krijgen om volwaardig uit te groeien
● Bomen met een beperkte kruin of snoeivorm zoals bolbomen, leibomen, enz. worden niet aanvaard als volwaardige aanplant;
● De aanvrager neemt alle voorzorgsmaatregelen om de nieuwe aanplanting te laten slagen. Dit houdt in een met zorg uitgevoerde aanplanting met kwalitatief plantgoed, het gebruik van steunpalen of wortelverankering en zo nodig het aanbrengen van een bescherming tegen vee- en wildvraat.
Conclusie college van burgemeester en schepenen
Het college sluit zich aan bij het advies van de gemeentelijke omgevingsambtenaar en maakt dit zich eigen.
BESLUIT:
Artikel 1
Het college van burgemeester en schepenen levert de voorwaardelijke omgevingsvergunning af voor het rooien van drie kastanjebomen.
Artikel 2
Volgende voorwaarden en/of lasten worden opgelegd:
Stedenbouwkundige voorwaarden
● Het algemeen soortenbesluit is van toepassing. De kap dient te gebeuren buiten het broedseizoen;
● De aanplanting van de bomen dient te gebeuren conform artikel 3.133 en 3.134 van het Burgerlijk Wetboek;
● De bomen dienen te worden gecompenseerd door een volwaardig, inheems alternatief, eigen aan de streek (bv. een zomer- of wintereik, Beuk, Kastanje, e.d.);
● Een boom dient te worden aangeplant in de voortuinzone en een tweede in de achtertuinzone;
● De bomen dienen te worden aangeplant op eigen terrein;
● De bomen dienen een minimale plantmaat van 14/16cm te bezitten;
● De bomen dienen een stamhoogte te bezitten die gangbaar voor een hoogstammige boom;
● De nieuwe bomen dienen te worden aangeplant in het eerstvolgende plantseizoen na het rooien van de bestaande boom;
● Indien de nieuw aan te planten boom uitvalt dan dient deze te worden heraangeplant in het eerst daaropvolgende plantseizoen;
● De bomen moet de kans krijgen om volwaardig uit te groeien
● Bomen met een beperkte kruin of snoeivorm zoals bolbomen, leibomen, enz. worden niet aanvaard als volwaardige aanplant;
● De aanvrager neemt alle voorzorgsmaatregelen om de nieuwe aanplanting te laten slagen. Dit houdt in een met zorg uitgevoerde aanplanting met kwalitatief plantgoed, het gebruik van steunpalen of wortelverankering en zo nodig het aanbrengen van een bescherming tegen vee- en wildvraat.
Algemene voorwaarden
Deze beslissing stelt de aanvrager niet vrij van het aanvragen en verkrijgen van eventuele andere vergunningen of machtigingen, als die nodig zouden zijn.
Verval van de omgevingsvergunning – uittreksel uit het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning
Artikel 99. § 1. De omgevingsvergunning vervalt van rechtswege in elk van de volgende gevallen:
1° als de verwezenlijking van de vergunde stedenbouwkundige handelingen niet wordt gestart binnen de twee jaar na het verlenen van de definitieve omgevingsvergunning;
2° als het uitvoeren van de vergunde stedenbouwkundige handelingen meer dan drie opeenvolgende jaren wordt onderbroken;
3° als de vergunde gebouwen niet winddicht zijn binnen drie jaar na de aanvang van de vergunde stedenbouwkundige handelingen;
4° als de exploitatie van de vergunde activiteit of inrichting niet binnen vijf jaar na het verlenen van de definitieve omgevingsvergunning aanvangt.
Als de omgevingsvergunning uitdrukkelijk melding maakt van de verschillende fasen van het bouwproject, worden de termijnen van twee of drie jaar, vermeld in het eerste lid, gerekend per fase. Voor de tweede fase en de volgende fasen worden de termijnen van verval bijgevolg gerekend vanaf de aanvangsdatum van de fase in kwestie.
§ 2. De omgevingsvergunning voor de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit vervalt van rechtswege in elk van de volgende gevallen:
1° als de exploitatie van de vergunde activiteit of inrichting meer dan vijf opeenvolgende jaren wordt onderbroken;
2° als de ingedeelde inrichting vernield is wegens brand of ontploffing veroorzaakt ten gevolge van de exploitatie;
3° als de exploitatie op vrijwillige basis volledig en definitief wordt stopgezet overeenkomstig de voorwaarden en de regels, vermeld in het decreet van 9 maart 2001 tot regeling van de vrijwillige, volledige en definitieve stopzetting van de productie van alle dierlijke mest, afkomstig van een of meerdere diersoorten, en de uitvoeringsbesluiten ervan. De Vlaamse Regering kan nadere regels bepalen voor de inkennisstelling van de stopzetting.
§ 3. Als de gevallen, vermeld in paragraaf 1, betrekking hebben op een gedeelte van het bouwproject, vervalt de omgevingsvergunning alleen voor het niet-afgewerkte gedeelte van een bouwproject. Een gedeelte is eerst afgewerkt als het, in voorkomend geval na de sloping van de niet-afgewerkte gedeelten, kan worden beschouwd als een afzonderlijke constructie die voldoet aan de bouwfysische vereisten.
Als de gevallen, vermeld in paragraaf 1 of 2, alleen betrekking hebben op een gedeelte van de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit, vervalt de omgevingsvergunning alleen voor dat gedeelte.
Artikel 100. De omgevingsvergunning blijft onverkort geldig als de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit van een project door een wijziging van de indelingslijst van klasse 1 naar klasse 2 overgaat of omgekeerd.
In geval de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit van een project door een wijziging van de indelingslijst van klasse 1 of 2 naar klasse 3 overgaat, geldt de vergunning als aktename en blijven de bijzondere voorwaarden gelden.
Artikel 101. De termijnen van twee, drie of vijf jaar, vermeld in artikel 99, worden geschorst zolang een beroep tot vernietiging van de omgevingsvergunning aanhangig is bij de Raad voor Vergunningsbetwistingen, overeenkomstig hoofdstuk 9 behoudens indien de vergunde handelingen in strijd zijn met een vóór de definitieve uitspraak van de Raad van kracht geworden ruimtelijk uitvoeringsplan. In dat laatste geval blijft het eventuele recht op planschadevergoeding desalniettemin behouden.
De termijnen van twee of drie jaar, vermeld in artikel 99, worden geschorst tijdens het uitvoeren van de archeologische opgraving, omschreven in de bekrachtigde archeologienota overeenkomstig artikel 5.4.8 van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013 en in de bekrachtigde nota overeenkomstig artikel 5.4.16 van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013, met een maximumtermijn van een jaar vanaf de aanvangsdatum van de archeologische opgraving.
De termijnen van twee of drie jaar, vermeld in artikel 99, worden geschorst tijdens het uitvoeren van de bodemsaneringswerken van een bodemsaneringsproject waarvoor de OVAM overeenkomstig artikel 50, § 1, van het Bodemdecreet van 27 oktober 2006 een conformiteitsattest heeft afgeleverd, met een maximumtermijn van drie jaar vanaf de aanvangsdatum van de bodemsaneringswerken.
De termijnen van twee of drie jaar, vermeld in artikel 99, worden geschorst zolang een bekrachtigd stakingsbevel, zoals vermeld in titel VI, niet wordt ingetrokken, hetzij niet wordt opgeheven bij een in kracht van gewijsde gegane beslissing. De schorsing eindigt van rechtswege wanneer geen opheffing van het stakingsbevel wordt gevorderd of geen intrekking wordt gedaan binnen een termijn van twee jaar vanaf de bekrachtiging van het stakingsbevel.
Beroepsmogelijkheden – uittreksel uit het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning
Artikel 52. De Vlaamse Regering is bevoegd in laatste administratieve aanleg voor beroepen tegen uitdrukkelijke of stilzwijgende beslissingen van de deputatie in eerste administratieve aanleg.
De deputatie is voor haar ambtsgebied bevoegd in laatste administratieve aanleg voor beroepen tegen uitdrukkelijke of stilzwijgende beslissingen van het college van burgemeester en schepenen in eerste administratieve aanleg.
Artikel 53. Het beroep kan worden ingesteld door:
1° de vergunningsaanvrager, de vergunninghouder of de exploitant;
2° het betrokken publiek;
3° de leidend ambtenaar van de adviesinstanties of bij zijn afwezigheid zijn gemachtigde als de adviesinstantie tijdig advies heeft verstrekt of als aan hem ten onrechte niet om advies werd verzocht;
4° het college van burgemeester en schepenen als het tijdig advies heeft verstrekt of als het ten onrechte niet om advies werd verzocht;
5° de leidend ambtenaar van het Departement Leefmilieu, Natuur en Energie of bij zijn afwezigheid zijn gemachtigde;
6° de leidend ambtenaar van het Departement Ruimtelijke Ordening, Woonbeleid en Onroerend Erfgoed of bij zijn afwezigheid zijn gemachtigde.
Artikel 54. Het beroep wordt op straffe van onontvankelijkheid ingesteld binnen een termijn van dertig dagen die ingaat:
1° de dag na de datum van de betekening van de bestreden beslissing voor die personen of instanties aan wie de beslissing betekend wordt;
2° de dag na het verstrijken van de beslissingstermijn als de omgevingsvergunning in eerste administratieve aanleg stilzwijgend geweigerd wordt;
3° de dag na de eerste dag van de aanplakking van de bestreden beslissing in de overige gevallen.
Artikel 55. Het beroep schorst de uitvoering van de bestreden beslissing tot de dag na de datum van de betekening van de beslissing in laatste administratieve aanleg.
In afwijking van het eerste lid werkt het beroep niet schorsend ten aanzien van:
1° de vergunning voor de verdere exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit waarvoor ten minste twaalf maanden voor de einddatum van de omgevingsvergunning een vergunningsaanvraag is ingediend;
2° de vergunning voor de exploitatie na een proefperiode als vermeld in artikel 69;
3° de vergunning voor de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit die vergunningsplichtig is geworden door aanvulling of wijziging van de indelingslijst.
Artikel 56. Het beroep wordt op straffe van onontvankelijkheid per beveiligde zending ingesteld bij de bevoegde overheid, vermeld in artikel 52.
Degene die het beroep instelt, bezorgt op straffe van onontvankelijkheid gelijktijdig en per beveiligde zending een afschrift van het beroepschrift aan:
1° de vergunningsaanvrager behalve als hij zelf het beroep instelt;
2° de deputatie als die in eerste administratieve aanleg de beslissing heeft genomen;
3° het college van burgemeester en schepenen behalve als het zelf het beroep instelt.
De Vlaamse Regering bepaalt de bewijsstukken die bij het beroep moeten worden gevoegd opdat het op ontvankelijke wijze wordt ingesteld.
Artikel 57. De bevoegde overheid, vermeld in artikel 52, of de door haar gemachtigde ambtenaar onderzoekt het beroep op zijn ontvankelijkheid en volledigheid.
Als niet alle stukken als vermeld in artikel 56, derde lid, bij het beroep zijn gevoegd, kan de bevoegde overheid of de door haar gemachtigde ambtenaar de beroepsindiener per beveiligde zending vragen om binnen een termijn van veertien dagen die ingaat de dag na de verzending van het vervolledigingsverzoek, de ontbrekende gegevens of documenten aan het beroep toe te voegen.
Als de beroepsindiener nalaat de ontbrekende gegevens of documenten binnen de termijn, vermeld in het tweede lid, aan het beroep toe te voegen, wordt het beroep als onvolledig beschouwd.
Beroepsmogelijkheden – regeling van het besluit van de Vlaamse Regering decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning
Het beroepschrift bevat op straffe van onontvankelijkheid:
1° de naam, de hoedanigheid en het adres van de beroepsindiener;
2° de identificatie van de bestreden beslissing en van het onroerend goed, de inrichting of exploitatie die het voorwerp uitmaakt van die beslissing;
3° als het beroep wordt ingesteld door een lid van het betrokken publiek:
een omschrijving van de gevolgen die hij ingevolge de bestreden beslissing ondervindt of waarschijnlijk ondervindt;
b) het belang dat hij heeft bij de besluitvorming over de afgifte of bijstelling van een omgevingsvergunning of van vergunningsvoorwaarden;
4° de redenen waarom het beroep wordt ingesteld.
Het beroepsdossier bevat de volgende bewijsstukken:
1° in voorkomend geval, een bewijs van betaling van de dossiertaks;
2° de overtuigingsstukken die de beroepsindiener nodig acht;
3° in voorkomend geval, een inventaris van de overtuigingsstukken, vermeld in punt 2°.
Als de bewijsstukken, vermeld in het tweede lid, ontbreken, kan hieraan verholpen worden overeenkomstig artikel 57, tweede lid, van het decreet van 25 april 2014.
Het beroepsdossier wordt ingediend met een analoge of een digitale zending.
Het bevoegde bestuur kan bij de beroepsindiener, de vergunningsaanvrager of de overheid die in eerste administratieve aanleg bevoegd is, alle beschikbare informatie en documenten opvragen die nuttig zijn voor het dossier.
De beroepsindiener geeft, op straffe van verval, uitdrukkelijk in zijn beroepschrift aan of hij gehoord wil worden.
Als de vergunningsaanvrager gehoord wil worden, brengt hij het bevoegde bestuur daarvan uitdrukkelijk op de hoogte met een beveiligde zending uiterlijk vijftien dagen nadat hij een afschrift van het beroepschrift als vermeld in artikel 56 van het decreet van 25 april 2014, heeft ontvangen, op voorwaarde dat hij niet de beroepsindiener is.
Mededeling
Deze gegevens kunnen worden opgeslagen in een of meer bestanden. Die bestanden kunnen zich bevinden bij de gemeente, waar u de aanvraag hebt ingediend, bij de provincie, en ook bij de Vlaamse administratie, bevoegd voor de omgevingsvergunning. Ze worden gebruikt voor de behandeling van uw dossier. Ze kunnen ook gebruikt worden voor het opmaken van statistieken en voor wetenschappelijke doeleinden. U hebt het recht om uw gegevens in deze bestanden in te kijken en zo nodig de verbetering ervan aan te vragen.
Register der bekendmakingen
Deze webpagina vormt het openbare register van gemeentelijke reglementen en verordeningen, in overeenstemming met het besluit van de Vlaamse regering van 28 april 2023 betreffende de bekendmakingen en raadpleegbaarheid van besluiten en documenten van het lokale bestuur met betrekking tot de manier waarop ze moeten worden bijgehouden.
Wanneer een publicatie wordt uitgevoerd, zal er een expliciete "bundel" van het document worden opgeslagen. Op dat moment is het document inhoudelijk niet meer aanpasbaar door de gebruiker.
Deze "bundel" bestaat uit:
De inhoud van de publicatie op het moment dat deze werd uitgevoerd.
Een unieke identificatie van de gebruiker die de actie heeft uitgevoerd.
De tijdstempel waarop de actie heeft plaatsgevonden.
Al deze gegevens staan in een aparte publicatie omgeving die beveiligd en toegankelijk is voor een beperkt aantal personen.