BESLUIT ZONDER VISUM VAN HET COLLEGE VAN BURGEMEESTER EN SCHEPENEN

 

 

Zitting van maandag 8 juni 2026

 

 

Aanwezig: Thierry Lens (burgemeester);Bart Van Couwenberghe, Dave Van den Bergh, Lenn De Cleene, Sofie Lemmens (Schepenen);Anke Dehuisser (algemeen directeur);

 

 

OMV 2025/159 - Lintsesteenweg 22 - vergunning

 

Het college van burgemeester en schepenen, in geheime zitting,

 

Juridische achtergrond

Artikel 56, §2, 7° van het Decreet over het Lokaal Bestuur bepaalt dat het college van burgemeester en schepenen bevoegd is over de beslissingen die een wet, een decreet of een uitvoeringsbesluit uitdrukkelijk aan het college van burgemeester en schepenen voorbehoudt;

 

Besluit van de Vlaamse Regering van 23 mei 2003 tot bepaling van de handelingen die vrijgesteld zijn van de medewerking van de architect.

 

Artikel 8 van het decreet van 18 juli 2003 betreffende het integraal waterbeleid, gecoördineerd op 15 juni 2018, verplicht elke vergunningverlenende overheid ertoe om de potentieel schadelijke effecten van de voorgenomen werken op het watersysteem te onderzoeken.

 

Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening gecoördineerd bij besluit van de Vlaamse regering van 15 mei 2009 (BS 20 augustus 2009), en latere wijzigingen, hierna genoemd de VCRO en latere wijzigingsdecreten.

 

Besluit van de Vlaamse Regering van 16 juli 2010 betreffende de meldingsplichtige handelingen ter uitvoering van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening en latere wijzigingen;

 

Besluit van de Vlaamse Regering tot vaststelling van een gewestelijke stedenbouwkundige verordening inzake hemelwater, tot wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 16 juli 2010 tot bepaling van stedenbouwkundige handelingen waarvoor geen omgevingsvergunning nodig is en tot opheffing van het besluit van de Vlaamse Regering van 5 juli 2013 houdende vaststelling van een gewestelijke stedenbouwkundige verordening inzake hemelwaterputten, infiltratievoorzieningen, buffervoorzieningen en gescheiden lozing van afvalwater en hemelwater.

 

Decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning en latere wijzigingen;

 

Besluit van de Vlaamse Regering van 27 november 2015 betreffende de omgevingsvergunning en latere wijzigingen;

 

Decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid (DABM) + bijlagen en latere wijzigingen; 

 

Besluit van de Vlaamse Regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne (VLAREM II) en latere wijzigingen;

 

Besluit van de Vlaamse Regering van 16 mei 2014 houdende bijkomende algemene milieuvoorwaarden (VLAREM III) voor GPBV-installaties en latere wijzigingen;

 

Besluit van de gemeenteraad van 25 juni 2012 betreft de verordening rond het kappen van bomen.

 

Besluit van de gemeenteraad van 16 december 2025 tot vaststelling van een retributiereglement voor meldingen en aanvragen van omgevingsvergunningen;

 

Feiten en context

De aanvraag ingediend door Julaan Development BV gevestigd te Bredabaan 1165 te 2900 Schoten, werd per beveiligde zending verzonden op 19 december 2025. Deze aanvraag werd ontvangen op 19 december 2025.

De aanvraag werd ontvankelijk en volledig verklaard op 14 januari 2026.

 

De aanvraag heeft betrekking op een terrein, gelegen Lintsesteenweg 22, kadastraal bekend: afdeling 1 sectie A nrs. 176S, 176B2, 183P, 183C2, 212L en 212N.

 

Het betreft een aanvraag tot het gedeeltelijk slopen van de bestaande voormalige weverij en verhardingen, herbestemmen van het resterende volume tot praktijkwoning, verbouwen van de bestaande ééngezinswoning (nr. 22) tot 2 woonentiteiten, bouwen van nieuwbouwontwikkeling (laagbouw) met 17 appartementen, een ondergrondse parking, heraanleggen van het terrein met een landschappelijke inrichting waaronder een wadi en fietsenstalling.

 

De aanvraag omvat:

        stedenbouwkundige handelingen

        de exploitatie van een of meerdere ingedeelde inrichtingen of activiteiten

 

Het college van burgemeester en schepenen heeft deze aanvraag onderzocht, rekening houdend met de terzake geldende wettelijke bepalingen, in het bijzonder met het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning, het decreet houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid, de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening en hun uitvoeringsbesluiten.

 

Historiek

        1911/1 - Oprichten van een wolweverij - lijnkoekbrekerij met een armgasmotor vergund door de deputatie 8 december 1911

        2026/1 - Bouwmisdrijf - rooien van 6 hoogstammige bomen zonder vergunning

 

Adviezen

Minaraad dd. 10 maart 2026: voorwaardelijk gunstig (zie bijlage)

MOWV dd. 24 maart 2026: voorwaardelijk gunstig (zie bijlage)

Milieu dd. 1 juni 2026: voorwaardelijk gunstig (zie bijlage)

GeCoRo dd. 10 februari 2026: voorwaardelijk gunstig (zie bijlage)

Dienst Integraal Waterbeleid provincie Antwerpen dd. 5 mei 2026: voorwaardelijk gunstig
Advies Aquafin dd. 13 april 2026: voorwaardelijk gunstig
Dienst Integraal Waterbeleid provincie Antwerpen dd. 24 maart 2026: ongunstig
Igean dd. 13 februari 2026: voorwaardelijk gunstig
Brandweer Zone Rand dd. 29 januari 2026: voorwaardelijk gunstig
Water-link: geen tijdig advies verleend
Proximus dd. 5 februari 2026: voorwaardelijk gunstig
Advies Aquafin dd. 20 februari 2026: voorwaardelijk gunstig
Fluvius dd. 19 januari 2026: voorwaardelijk gunstig
Projectvereniging Streekvereniging Zuidrand dd. 27 april 2026: voorwaardelijk gunstig
Agentschap Onroerend Erfgoed dd. 15 januari 2026: geen advies
Agentschap Natuur en Bos Antwerpen dd. 15 januari 2026: geen advies

Gemeentelijk omgevingsambtenaar dd. 29 mei 2026: voorwaardelijk gunstig

 

Argumentatie

Beschrijving van de aangevraagde stedenbouwkundige handelingen

De aanvraag heeft betrekking op het gedeeltelijk slopen van de bestaande voormalige weverij en verhardingen, herbestemmen van het resterende volume tot praktijkwoning, verbouwen van de bestaande ééngezinswoning (nr. 22) tot 2 woonentiteiten, bouwen van nieuwbouwontwikkeling (laagbouw) met 17 appartementen, een ondergrondse parking, heraanleggen van het terrein met een landschappelijke inrichting waaronder een wadi en fietsenstalling.

 

Beschrijving van de aangevraagde ingedeelde inrichtingen of activiteiten

De aanvraag omvat de volgende milieurubrieken:

 

Werffase

        Rubriek 53.2.1: tijdelijke bronbemaling bij een bouwproject:

     maximaal 600 m³/dag opgepompt grondwater;

     totaal volume 24.796 m³;

     verlaging grondwaterpeil tot 3,9 m onder maaiveld;

     duur van maximaal 120 dagen;

     lozing via RWA-stelsel naar de Koude Beek.

 

Exploitatiefase

        Rubriek 16.3.2.a: 20 warmtepompen met een elektrisch vermogen van 3 kW per eenheid, samen goed voor een geïnstalleerde drijfkracht van 60 kW.

 

Gevraagde afwijking

        Aanvraag van bijzondere lozingsnormen voor enkele zware metalen (arseen, zink, nikkel, koper, chroom en cadmium) bij de lozing van bemalingswater.

 

De aanvraag omvat voor de ingedeelde inrichting of activiteit:

Rubriek

Omschrijving

Gevraagd voor

16.3.2°a)

20 warmtepompen met een elektrisch vermogen van 3kW per eenheid. Er wordt 4-5 kW thermische vermogen aangehouden (Nieuw)

60 kW

53.2.1°

tijdelijke bemaling bij bouwwerken (Nieuw)

24796 m³

 

Zodat de ingedeelde inrichting of activiteit voortaan omvat:

Rubriek

Omschrijving

Totale hoeveelheid

16.3.2°a)

20 warmtepompen met een elektrisch vermogen van 3kW per eenheid. Er wordt 4-5 kW thermische vermogen aangehouden (Nieuw)

60 kW

53.2.1°

tijdelijke bemaling bij bouwwerken (Nieuw)

24796 m³

 

Beschrijving van de bouwplaats, de omgeving

De percelen zijn gelegen langsheen de Lintsesteenweg. De Lintsesteenweg verbindt de dorpskernen van Hoven en Lint en loopt ten zuiden van de dorpskern van Hove doorheen akkerland. De dorpskern omvat een lintbebouwing van burgerhuizen van twee bouwlagen uit eerste kwart 20ste eeuw en enkele landhuizen. De bebouwing in de omgeving van het bouwproject bestaat echter uit woningen van diverse bouworde en leeftijd.

 

Op het terrein is een voormalige wolweverij (en lijnkoekbrekerij) aanwezig, bestaande uit een ensemble van verschillende aaneengeschakelde bouwvolumes. Het gebouw omvat een dubbele middenbeuk met kenmerkende sheddaken, een hoger centraal volume en een lage aanbouw langs de perceelsgrens met woning nr. 24. Het overige deel van het perceel is braakliggend en onbebouwd.

 

Toetsing aan de voorschriften

Het gevraagde is volgens het gewestplan Antwerpen, goedgekeurd op 3 oktober 1979, gelegen in woongebied.

Volgende voorschriften zijn van toepassing:

De woongebieden zijn bestemd voor wonen, alsmede voor handel, dienstverlening, ambacht en kleinbedrijf voor zover deze taken van bedrijf om redenen van goede ruimtelijke ordening niet in een daartoe aangewezen gebied moeten worden afgezonderd, voor groene ruimten, voor sociaal-culturele inrichtingen, voor openbare  nutsvoorzieningen, voor toeristische voorzieningen, voor agrarische bedrijven. Deze bedrijven, voorzieningen en inrichtingen mogen echter maar worden toegestaan voor zover ze verenigbaar zijn met de onmiddellijke omgeving.

 

Het project is in overeenstemming met de voorschriften van het geldende gewestplan.

 

Het project is volgens het Gewestelijk RUP ‘Afbakening grootstedelijk gebied Antwerpen’, goedgekeurd op 19 juni 2009, gelegen binnen de afbakeningslijn grootstedelijk gebied Antwerpen.

Volgende relevante stedenbouwkundige voorschriften zijn van toepassing:

De gebieden binnen de afbakeningslijn behoren tot het grootstedelijk gebied Antwerpen. Met uitzondering van de deelgebieden waarvoor in dit plan voorschriften werden vastgelegd, blijven de op het ogenblik van de vaststelling van dit plan bestaande bestemmings- en inrichtingsvoorschriften onverminderd van toepassing. De bestaande voorschriften kunnen daar door voorschriften in nieuwe gewestelijke, provinciale en gemeentelijke ruimtelijke uitvoeringsplannen of BPA’s worden vervangen. Bij de vaststelling van die plannen en bij overheidsprojecten binnen de grenslijn gelden de relevante bepalingen van de ruimtelijke structuurplannen, conform de decretale bepalingen in verband met de verbindende waarde van die ruimtelijke structuurplannen.

 

Het perceel valt niet binnen een deelgebied waarvoor bestemmingsvoorschriften zijn vastgesteld. De gewestplanbestemming is van toepassing.

 

De aanvraag is niet gelegen binnen de grenzen van een goedgekeurd BPA of gemeentelijk RUP, noch binnen de omschrijving van een vergunde en niet vervallen verkaveling.

De aanvraag wordt als volgt getoetst aan de voorschriften van het gewestplan en de gebruikelijke inzichten en noden betreffende een goede ruimtelijke ordening ter plaatse.

 

De aanvraag is in overeenstemming met de gebiedsbestemming en met de stedenbouwkundige voorschriften.

 

Rooilijn

De woning en het perceel is getroffen door de rooilijn dd. 29/11/1930 Lintsesteenweg.

 

Uitgeruste weg

In toepassing op de artikelen 4.3.5 tot en met 4.3.8 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening (VCRO) kan gesteld worden dat de Lintsesteenweg een voldoende uitgeruste openbare weg is.

 

Riolering

De richtlijnen inzake aansluiting op de riolering en IBA-beheer kunnen worden bekomen bij Water-link (www.water-link.be of 078/35.35.09).

Het perceel is gelegen in centraal gebied. Aangezien de betreffende omgevingsvergunning zich situeert in een gebied met bestaande riolering die reeds is aangesloten op een zuiveringsinstallatie, dient het zwart water van de betreffende constructie via een septische put met Benor-certificaat te worden aangesloten op de bestaande riolering.

 

Toegankelijkheid

De aanvrager voegde een voorwaardelijk gunstig advies van INTER (Toegankelijkheid Vlaanderen) dd. 3 december 2025 toe aan de aanvraag. De voorwaarden uit het advies dienen te worden gevolgd.

 

Openbaar onderzoek

De aanvraag werd openbaar gemaakt  van 24 januari 2026 tot 22 februari 2026.

Er werden 5 bezwaarschriften ingediend.

 

Watertoets

Op basis van de aanstiplijst aangaande de gewestelijke hemelwaterverordening 2023 en de stukken gevoegd bij de aanvraag blijkt dat voldaan wordt aan de verordening. Er wordt een hemelwaterput voorzien met een totale capaciteit van 10.200 liter. De overloop van de hemelwaterput wordt aangesloten op een bovengrondse infiltratievoorziening met een beschikbare infiltratieoppervlakte van 87,50m² en een volume van 35.000 liter.

 

Er werd advies gevraagd aan de Provincie Antwerpen, Dienst Integraal Waterbeleid. Het aangeleverde advies dd. 5 mei 2026 is voorwaardelijk gunstig.

 

Project-MER

Het project komt voor op de lijst gevoegd als bijlage III van het besluit van de Vlaamse Regering van 10 december 2004 (en latere wijzigingen) houdende vaststelling van de categorieën van projecten onderworpen aan milieueffectrapportage. Er werd een project- milieueffectrapportage-screeningsnota toegevoegd waaruit blijkt dat de mogelijke milieueffecten van het project niet aanzienlijk zijn.

 

Inhoudelijke beoordeling van de goede ruimtelijke ordening

Deze beoordeling, als uitvoering van art. 1.1.4 van de codex gericht op een duurzame ruimtelijke ontwikkeling en met oog voor de ruimtelijke draagkracht, de gevolgen voor het leefmilieu en de culturele, economische, esthetische en sociale gevolgen, houdt rekening met de volgende criteria als uitvoering van art. 4.3.1 van de VCRO:

 

Functionele inpasbaarheid

De aanvraag betreft de gedeeltelijke sloop van een voormalige weverij, de herbestemming van het resterende volume tot praktijkwoning, de verbouwing van een bestaande woning tot twee woonentiteiten en de oprichting van twee bouwvolumes met in totaal 17 appartementen, aangevuld met een ondergrondse parking, fietsenstallingen en een landschappelijke heraanleg.

 

Het project is gelegen in woongebied volgens het gewestplan. Wonen vormt de hoofdfunctie van de aanvraag. De praktijkfunctie in de voormalige weverij is ondergeschikt aan de woonfunctie en is verenigbaar met de residentiële omgeving.

 

De omgeving wordt gekenmerkt door een mix van eengezinswoningen en kleinschalige meergezinswoningen langs een belangrijke ontsluitingsweg nabij het centrum van Hove. De voorgestelde functies sluiten aan bij het bestaande functionele karakter van de omgeving en dragen bij aan een verdichting op een goed ontsloten locatie.

 

De aanvraag wordt functioneel verenigbaar geacht met haar omgeving.

 

Mobiliteitsimpact

Het project voorziet in 30 parkeerplaatsen, waarvan 26 ondergronds en 4 bovengronds. Hiermee wordt ruim voldaan aan de gemeentelijke parkeernorm.

 

De ontsluiting gebeurt uitsluitend via de Lintsesteenweg waardoor het achterliggende woongebied gevrijwaard blijft van bijkomend autoverkeer. Daarnaast voorziet het project een publiek toegankelijke doorsteek voor voetgangers en fietsers tussen de Lintsesteenweg en de Emiel Van Hemeldonckstraat, wat de lokale doorwaadbaarheid verhoogt.

 

Ook wordt voorzien in een ruime fietsenstalling. De verkeerskundige impact wordt aanvaardbaar geacht.

 

Schaal, ruimtegebruik en bouwdichtheid

De nieuwbouwvolumes worden opgevat als twee afzonderlijke parkvilla's met twee volwaardige bouwlagen en een terugliggende derde bouwlaag. Hierdoor wordt de bouwhoogte visueel beperkt en wordt een overgang gecreëerd naar de omliggende woonbebouwing.

 

Door de vrijstaande positionering binnen een groene ruimte wordt vermeden dat een massieve bouwwand ontstaat. De terugliggende penthouselaag beperkt bovendien de visuele impact vanuit de omgeving.

 

De bebouwing blijft ondergeschikt aan het landschappelijke concept waarbij de gebouwen als losse volumes in een groene setting worden ingeplant.

 

Hoewel de woondichtheid hoger ligt dan deze van de directe aanpalende percelen, is deze aanvaardbaar gelet op:

        de ligging nabij de kern van Hove;

        de aanwezigheid van voorzieningen;

        de kwalitatieve collectieve buitenruimte;

        de ruime afstand tussen de bouwvolumes;

        de ondergrondse organisatie van het parkeren.

 

De schaal van het project wordt bijgevolg verenigbaar geacht met de omgeving.

 

De woonentiteiten beschikken over voldoende oppervlakte, daglichttoetreding, buitenruimte en privacy. De appartementen hebben een gemiddelde netto-oppervlakte van meer dan 90m² en beschikken over grote terrassen of dakterrassen. Bovendien worden hoofdzakelijk hoekappartementen gerealiseerd waardoor dubbele oriëntaties mogelijk zijn.

 

Het project voorziet daarnaast in een kwalitatieve collectieve groenzone die de woonkwaliteit verder versterkt.

 

Er wordt een voet- en fietsweg voorzien doorheen het project. De weg zal een trage verbinding vormen tussen de Lintsesteenweg en de Emiel Van Hemeldonckstraat. De weg zal beperkt toegankelijk zijn ter hoogte van de Lintesteenweg toegankelijk voor gemotoriseerd verkeer dat gebruik maakt van de ondergrondse parkeergarage. De weg tussen de nieuwe woningen zal enkel toegankelijk zijn voor fietsers, voetgangers en indien nodig voor hulpdiensten in de ruime zin. De bepalingen rond het gebruik en onderhoud van de weg is opgenomen in een beheersovereenkomst, goedgekeurd door de gemeenteraad op 21 april 2026. De bepalingen in de beheersovereenkomst dienen strikt te worden nageleefd.

 

De voet- en fietsweg dient te worden afgesloten met breekpaaltjes om oneigenlijk gebruik door gemotoriseerd verkeer te voorkomen. Aan beide uiteinden van de verbinding, met name aan de zijde van de Lintsesteenweg (ter hoogte van de weverij) en aan de zijde van de Emiel van Hemeldonckstraat, dienen telkens twee breekpaaltjes te worden geplaatst, één aan elke zijde van de beklinkerde zone van de weg. Er mag geen paaltje in het midden van de weg worden aangebracht, de doorgang voor voetgangers en fietsers moet volledig obstakelvrij blijven. De aanvrager kan voor de specificaties van de breekpaaltjes contact opnemen met de gemeentelijke dienst mobiliteit of met de brandweer.

 

Visueel-vormelijke elementen

De woning aan nummer 22 behoudt haar oorspronkelijke verschijningsvorm en blijft een herkenbaar in het straatbeeld. De architecturale ingrepen beperken zich hoofdzakelijk tot renovatiewerken en het verbeteren van de woonkwaliteit. De bestaande gevelcompositie, bouwvorm en schaal blijven behouden. De impact om het straatbeeld is nihil.

 

De voormalige weverij blijft grotendeels behouden. De kenmerkende baksteenarchitectuur en industriële uitstraling worden beschouwd als belangrijke identiteitsdragers van de site. Het hogere centrale volume wordt verwijderd om een betere doorwaadbaarheid en een ruimtelijk meer open structuur mogelijk te maken. De resterende bouwdelen worden gerenoveerd en geïntegreerd binnen het nieuwe projectconcept. Hierdoor blijft de historische gelaagdheid van de site leesbaar.

 

De twee nieuwe appartementsgebouwen worden vormgegeven als vrijstaande parkvilla's binnen een groenzone.

 

De architectuur wordt gekenmerkt door een hedendaagse vormgeving met een duidelijke horizontale geleding. De volumes bestaan uit twee volwaardige bouwlagen met een terugliggende derde bouwlaag. Door deze terugliggende laag wordt de schaal van de gebouwen visueel gereduceerd en wordt een geleidelijke overgang gecreëerd tussen de bebouwing en het omliggende woonweefsel. Hierdoor blijft de waargenomen bouwhoogte beperkt en wordt de impact op het straat- en tuinbeeld verzacht.

 

Het gebruik van genuanceerd metselwerk en een beperkte materiaalvariatie zorgt voor een duurzame en kwalitatieve architecturale uitstraling. Daarnaast worden schrijnwerk, terrassen en andere gevelelementen uitgevoerd in rustige kleurschakering. De gekozen materialen zijn duurzaam, tijdloos en passend binnen de residentiële omgeving.

 

Cultuurhistorische aspecten

De aanvraag heeft geen betrekking op een beschermd monument of een goed dat voorkomt op de vastgestelde inventaris van het bouwkundig erfgoed. De plaats van de aanvraag is evenmin gelegen in  een beschermd dorpsgezicht of beschermd landschap. Een archeologienota (zoals vermeld in art. 5.4.1 van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013) is niet vereist, omdat de aanvraag voldoet aan de voorwaarden die het decreet heeft bepaald.

 

De projectsite omvat een voormalige weverij en lijnkoekbrekkerij die getuigen van de historische economische ontwikkeling van de gemeente Hove en de aanwezigheid van kleinschalige industriële activiteiten binnen het woonweefsel. De gebouwen bezitten een zekere cultuurhistorische en lokaal-historische waarde doordat zij herinneren aan de industriële ontwikkeling van de site en een herkenbaar onderdeel vormen van het historisch gegroeide bebouwingspatroon.

 

Uit nazicht van de beschikbare erfgoedinformatie blijkt evenwel dat de aanwezige gebouwen niet zijn opgenomen in de Inventaris van het Bouwkundig Erfgoed en evenmin beschermd zijn als monument, stads- of dorpsgezicht of vastgesteld bouwkundig erfgoed. Er rusten bijgevolg geen formele erfgoedbeschermingen of erfgoedrechtelijke statuten op de betrokken constructies.

 

Hoewel geen sprake is van juridisch beschermd erfgoed, kan aan de voormalige industriële gebouwen een zekere beeldbepalende en contextuele waarde worden toegekend. In het bijzonder de voormalige loods met kenmerkend sheddak, bezit nog herkenbare industriële kenmerken, waaronder de volumetrie, de baksteenarchitectuur en de historische verschijningsvorm die verwijzen naar de oorspronkelijke functie van het gebouw.

 

De aanvraag houdt rekening met deze aanwezige erfgoedwaarden door niet over te gaan tot een volledige sloop van de historische bedrijfsgebouwen. Het meest beeldbepalende gedeelte van de voormalige weverij blijft behouden en wordt herbestemd tot praktijkwoning. Hierdoor blijft de historische leesbaarheid van de site behouden en wordt de identiteit van de plek mee verankerd in de nieuwe ontwikkeling. Enkel delen van de gebouwen worden verwijderd ten behoeve van een kwalitatieve herontwikkeling en een verbeterde doorwaadbaarheid van het terrein.

 

Overeenkomstig de voorwaarden geformuleerd door de Streekverenging Zuidrand (IOED) dient voorafgaand aan de sloop van de voormalige weverij een bouwkundige inventarisatie van de te slopen constructies te worden opgemaakt. Deze inventarisatie heeft tot doel de aanwezige historische, architecturale en bouwkundige kenmerken van de voormalige industriële bebouwing op een voldoende gedetailleerde wijze te documenteren alvorens deze geheel of gedeeltelijk verdwijnen.

 

De inventarisatie dient te worden uitgevoerd volgens de richtlijnen van de IOED en ter kennis te worden gebracht van de bevoegde erfgoeddiensten of uitgevoerd in overleg door de erfgoeddienst zelf.

 

Archeologienota

Voor het project werd een archeologienota opgemaakt en gemeld aan het Agentschap Onroerend Erfgoed. Overeenkomstig de bepalingen van het Onroerenderfgoeddecreet zullen de eventuele archeologische onderzoeksmaatregelen worden uitgevoerd conform de voorwaarden van de archeologienota. Het archeologisch potentieel van de site vormt bijgevolg geen belemmering voor de uitvoering van het project. Het Agentschap Onroerend Erfgoed nam akte van het vooronderzoek 27 december 2025.

 

Onroerend erfgoed in de omgeving

Dorpswoning met art-nouveaumuurschilderingen (ID: 107811), vastgesteld erfgoed sinds 29 maart 2019.

 

Ten noord-westen van de projectsite bevindt zich de dorpswoning met art-nouveaumuurschilderingen gelegen aan de Lintsesteenweg 18, opgenomen als vastgesteld bouwkundig erfgoed omwille van haar historische en architecturale waarde. Het betreft een bescheiden dorpswoning uit 1908 in art-nouveaustijl.

 

De voorliggende aanvraag heeft geen impact op de erfgoedwaarden van het indirect aangrenzend vastgestelde erfgoed.

 

Bodemreliëf

De aanvraag gaat gepaard met de oprichting van nieuwe gebouwen, een ondergrondse parkeergarage en de aanleg van een wadi, waardoor lokaal reliëfwijzigingen noodzakelijk zijn. Deze ingrepen blijven evenwel beperkt tot wat functioneel vereist is voor de realisatie van het project en de waterhuishouding van de site.

 

Het terrein wordt hoofdzakelijk ingericht als groene open ruimte met infiltratie- en buffervoorzieningen, waarbij maximaal wordt aangesloten op het bestaande maaiveld. Er worden geen grootschalige ophogingen of afgravingen voorzien die het natuurlijk reliëf of de ruimtelijke kwaliteit van de omgeving op een negatieve wijze beïnvloeden.

 

De impact van de aanvraag op het bestaande bodemreliëf wordt bijgevolg als aanvaardbaar beoordeeld.

 

Andere hinderaspecten inzake gezondheid, gebruiksgenot en veiligheid in het algemeen

De gebouwen worden ingeplant binnen een parkzone waardoor voldoende afstanden ontstaan ten opzichte van de omliggende percelen. De 45°-regel wordt gerespecteerd.

 

De teruggetrokken derde bouwlaag, de positionering van terrassen en de aanleg van groenbuffers beperken potentiële inkijk naar de omliggende woningen.

 

Het autoverkeer wordt grotendeels ondergronds georganiseerd, waardoor geluidshinder op maaiveldniveau beperkt blijft.

 

De aanvraag bevat geen elementen waarvan kan verwacht worden dat ze invloed heeft op de gezondheid, het gebruiksgenot en de veiligheid in het algemeen kunnen hebben.

 

Inhoudelijke beoordeling van de milieuaspecten

Er werd milieuadvies gevraagd aan IGEAN. Het advies dd. 13 februari 2026 is voorwaardelijk gunstig. Het advies luidt als volgt:

 

[…]

 

 

Beschrijving inrichting & aanvraag

De aanvraag omvat een bronbemaling voor de uitvoering van werken in den droge voor wat betreft de bouw van meergezinswoningen met keldergarage, alsook de warmtepompen horende bij deze gebouwen.

 

Er zijn geen liftkokers voorzien met verdiepte uitvoering.

 

Volgens het dossier wordt het opgepompt grondwater geloosd in de RWA (regenwaterafvoer) uitmondend in oppervlaktewater (Koude Beek).

 

 

Deze aanvraag handelt over een nieuwe inrichting.

 

Vergunningsaanvraag

Deze omgevingsvergunningsaanvraag heeft enerzijds betrekking op vergunningsplichtige stedenbouwkundige handelingen + vegetatiewijzigingen en anderzijds op de exploitatie van een inrichting met een bijstellingsverzoek voor de milieuvoorwaarden, gelegen aan de Lintsesteenweg 22 te Hove (afdeling 1, sectie A, perceelnr. 176B2, 212N, 183P en 212L), omvattende:

 

Voor de werffase

        53.2.1: een tijdelijke bronbemaling bij een bouwproject met een netto opgepompt debiet van max. 600 m³/dag (bruto dagdebiet 600 m³) en 24.796 m³ in totaal met een verlaging van het  grondwaterpeil tot op 3,9 m onder het maaiveld en dit gedurende max. 120 dagen met een lozing in RWA, uitmondend in oppervlaktewater

 

Voor de exploitatiefase

        16.3.2.a: 20 warmtepompen met een elektrisch vermogen van 3kW per eenheid, voor een geïnstalleerde totale drijfkracht van 60 kW

 

Ruimtelijk aspect

De inrichting is volgens het gewestplan gelegen in woongebied.

 

De aanvraag bevat een luik stedenbouwkundige handelingen.

 

Nagegaan dient te worden of er stedenbouwkundig gezien dergelijke iioa kunnen geëxploiteerd worden op deze locatie voor wat betreft de plaatselijke situatie en de goede ruimtelijke ordening. Het is de bevoegdheid van de GOA om dit stedenbouwkundig aspect te beoordelen, ook als voorliggende aanvraag of melding geen luik stedenbouwkundige handelingen bevat.

 

Vergunningsaanvraag IIOA: koppeling

Artikel 7§2 van het omgevingsvergunningsdecreet stelt dat als het voorliggend project elementen bevat die onderworpen zijn aan meerdere vergunnings- of meldingsplichten bij of krachtens de decreten, vermeld in artikel 5 (stedenbouwkundige handelingen, ingedeelde inrichtingen of activiteiten, vegetatiewijzigingen, verkaveling, handelsactiviteiten), en die aspecten onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn, moeten al deze aspecten op straffe van onontvankelijkheid in één vergunningsaanvraag worden aangevraagd als één element van de aanvraag vergunningsplichtig is.

Dient er voor voorliggende vergunningsaanvraag voor de exploitatie van een iioa ook een stedenbouwkundige handeling gemeld of aangevraagd te worden, en omvat de vergunningsaanvraag geen luik stedenbouwkundige handelingen dan dient de aanvraag onontvankelijk verklaard te worden of geweigerd te worden.

 

Beoordelingsgrond klasse 3 – art. 111 OVD / art. 5.4.3§3 DABM

Meldingsplichtige IIOA deel uitmakend van een vergunningsaanvraag voor stedenbouwkundige handelingen.

Bij ingedeelde inrichtingen of activiteiten van enkel klasse 3 is er binnen de ruimtelijke context slechts een beperkte beoordelingsbevoegdheid voor de gemeente van toepassing overeenkomstig art. 111 van het omgevingsdecreet. Zo mag er enkel gekeken worden naar de verbodsbepalingen of de strijdigheid met de bestemming volgens het gewestplan (of andere plannen van aanleg). De uitgebreide toets aan de ruimtelijke ordening zal gebeuren in de beoordeling van het luik stedenbouwkundige handelingen van de overkoepelende vergunningsaanvraag.

Hiermee dient gesteld te worden dat er voor deze activiteiten geen verbodsbepalingen volgens art 4.1.1.1 Vlarem van toepassing zijn, noch overeenkomstig artikel 5.4.3§3 van het DABM, artikel 4.2.2.§1 en artikel 4.2.4 van de VCRO.

Voor de toetsing aan de stedenbouwkundige voorschriften en de goede ruimtelijke ordening verwijzen we naar het verslag van de gemeentelijke omgevingsambtenaar binnen het luik stedenbouwkundige handelingen.

 

Bemerkingen m.b.t. de (niet) in de aanvraag opgenomen rubrieken

Warmtepompen: rubriek 16.3.2, rubriek 53.6 of rubriek 55.1.

 

De exploitant dient kennis te nemen van de ‘Omgevingsaspecten bij warmtepompen en airco-installaties’ en de ‘Code van goede praktijk. Geluid van buitenunits van residentiële lucht-lucht (airco) en lucht-water warmtepompen.’ Deze publicaties zijn terug te vinden op de webpagina’s van de Vlaamse Overheid.

 

Warmtepompen en stedenbouwkundige handelingen

In een heel aantal gevallen is het plaatsen van een warmtepomp of airco in, aan of bij een woning vrijgesteld van de vergunningsplicht en is een omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen dus niet nodig. Hieraan zijn wel een aantal voorwaarden verbonden. Wat wel en niet vrijgesteld is, is opgenomen in het zogenaamde Vrijstellingenbesluit. Wanneer geen vrijstelling van toepassing is, is een omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen wel nodig.

Voor meer info zie bijlage 6.1 in ‘Omgevingsaspecten bij warmtepompen en airco-installaties’.

 

Een omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen in, aan en bij woningen is in principe niet nodig voor:

        Een warmtepomp of airco geplaatst in de voortuin, zijtuin of achtertuin of op een zij- of achtergevel op minstens 2 m van de perceelsgrens of tot tegen een bestaande scheidingsmuur (art. 2.1, 8/1° van het Vrijstellingenbesluit). De warmtepomp of airco moet geplaatst worden binnen een straal van 30 m van de betrokken woning.

        Een warmtepomp of airco geplaatst op een plat dak (minder dan 3 m boven de nok) en het buizensysteem dat langs de buitengevel loopt (art. 2.1, 14° van het Vrijstellingenbesluit).

        De onderdelen van de installatie die binnen geplaatst worden (art. 2.1, 4° van het Vrijstellingenbesluit).

        Het aanleggen van het ondergrondse buizensysteem van bijvoorbeeld een geothermische warmtepomp voor zover geen rooilijnplan of onteigeningsplan bestaat dat stelt dat dit niet mag (art. 2.1, 1° van het Vrijstellingenbesluit) en binnen een straal van 30 m van de betrokken woning. Mogelijks is wel een melding of omgevingsvergunning voor de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit nodig (zie 6.2.2.2).

 

Het is aan de GOA stedenbouw om na te gaan of de nodige stedenbouwkundige handelingen in de aanvraag zijn opgenomen. Voor installaties op minder dan 2 m van de perceelsgrens is er immers geen vrijstelling meer.

 

Warmtepompen en ingedeelde inrichtingen of activiteiten

Rubriek 16.3.2.a/b

Indien het project voorzien wordt van warmtepompen dienen deze opgenomen te worden in de aanvraag. Warmtepompen kunnen ingedeeld zijn in de indelingsrubriek 16.3.2.a/b voor wat betreft totale geïnstalleerde drijfkracht vanaf van 5 kW.

Met de totale geïnstalleerde drijfkracht wordt het geïnstalleerd elektrisch vermogen bedoeld, niet het thermische vermogen. Dit kan je terugvinden in de documentatie of op het plaatje van je toestel. In de brochures van warmtepompen en airco’s wordt het vaak benoemd als het max. opgenomen vermogen (berekend volgens EN14511). Ook is er meestal een verschil tussen het elektrisch vermogen voor verwarmen en koelen bij installaties die beide functies hebben. In dit geval is de hoogste waarde relevant. Neem contact op met de fabrikant als je de informatie niet terugvindt of als die onduidelijk is. – Het gaat om de totale geïnstalleerde drijfkracht. Kijk dus naar de maximale drijfkracht, ook als het toestel het grootste deel van de tijd met een lagere drijfkracht werkt.

 

Enkel warmtepompunits per woongelegenheid van minder dan 5 kW zijn niet ingedeeld.

Individuele (onafhankelijke) warmtepompen ten behoeve van afzonderlijke wooneenheden binnen een appartementsgebouw worden beschouwd per wooneenheid. Hiervoor kunnen dus afzonderlijke vergunningen aangevraagd of meldingen gedaan worden per wooneenheid (als de totaal geïnstalleerde drijfkracht minstens 5 kW is).

 

Warmtepompen die onderling gekoppeld zijn aan een gemeenschappelijk systeem van een appartementsgebouw en onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn, moeten wel samengeteld worden. Het is de samentel van alle aangesloten installaties (centrale unit, binnen- en buitenunits) die het ingedeeld karakter en de klasse van de inrichting bepalen.

 

Ook als verschillende ‘individuele’ binnenunits gekoppeld zijn aan een gezamenlijke buitenunit is er sprake van een gemeenschappelijk en onlosmakelijk met elkaar verbonden systeem en moeten deze dus samengeteld worden om het al dan niet ingedeeld karakter te bepalen.

 

Type warmtepompen + rubrieken 53.6 en 55.1

Op onderstaande afbeelding worden de verschillende types afgebeeld en wordt duidelijk bij welke types een buitenunit aanwezig is. Het eerste deel van de naam verwijst naar de warmtebron (bodem, water of lucht), het tweede deel naar hoe de warmte de woning of het zwembad opwarmt (rechtstreeks via de lucht of via het water van het verwarmingssysteem). De ‘lucht/lucht-warmtepompen’ zijn beter gekend als een airco.

 

 

Voor een bodem/water warmtepomp of BEO-veld - een gesloten systeem dat een (koel)vloeistof in een gesloten buizenveld rondpompt om warmte uit te wisselen met de ondergrond - is er een boring vereist. De boring kan ingedeeld zijn onder rubriek 55.1 als deze dieper is dan het lokale indelingscriterium (type bodem/water). (Boringen in het kader van thermische energieopslag in boorgaten waarvan de diepte beperkt blijft tot maximaal het dieptecriterium, zoals weergegeven op de kaart in bijlage 2quinquies bij dit besluit, en die gelegen zijn buiten een beschermingszone type III zijn volgens de uitzonderingsgronden niet ingedeeld onder rubriek 55.1.1).

 

Een water/water warmtepomp of KWO (koude-warmte opslag) is een open systeem dat grondwater oppompt en terug in de grond injecteert om warmte uit te wisselen tussen het grondwater en een gebouw en is ingedeeld in rubriek 53.6 (type water/water).

 

Beoordeling

De aanvraag bevat rubriek 16 voor de installaties gekoppeld aan verkoeling/verwarming en warm water.

 

Er worden in totaal 20 individuele warmtepompen voorzien van het merk Mitsubishi Electric en het type PUZ-WZ60VAA | ERPT20X-VM6E. Uit de aanvraag blijkt dat er één warmtepomp per wooneenheid wordt voorzien met een vermogen van 3 kW elk.

 

Individuele warmtepompen van minder dan 5 kW die NIET gekoppeld zijn aan een gemeenschappelijk systeem zijn niet meldings- of vergunningsplichtig. Het gaat dan over warmtepompen (binnen en/of buitennunits) die volledig zelfstandig en los van elkaar werken, geen deel uitmaken van een splitlevel-systeem en/of geen gemeenschappelijke leidingen en/of toestellen hebben.

 

De vergunningsaanvraag (IIOA) voor de warmtepompen is zonder voorwerp en mag geschrapt worden.

 

Effecten op de omgeving

Algemeen

MER-plicht / project-mer-screeningsplicht

Deze aanvraag valt onder de mer-screeningsplicht ingevolge bijlage II van het besluit van de Vlaamse Regering van 24.10.2025 tot uitvoering van titel IV van het decreet van 5.04.1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid, wat betreft de milieueffectrapportage, waardoor de opmaak van een project-merscreening vereist is.

Er is een screeningsplicht voor rubriek 10b als stadsontwikkelingsproject én 10j inzake het onttrekken van grondwater, hier meer bepaald een bronbemaling bij een vergunningsplicht project en voor rubriek 10b als stadsontwikkelingsproject. We merken op dat in de brief V&O enkel rubriek 10b wordt vermeld.

 

We stellen vast dat in dit dossier werd voorbijgegaan aan de MER-screeningsplicht voor wat betreft de bronbemaling. Weliswaar is alle informatie beschikbaar, dus inhoudelijk kunnen we ons advies daarop baseren. Aangaande het procedurele aspect geven we mee dat de aanvraag niet correct werd ingediend.

Als het screeningsluik ontbreekt in één of meerdere onderdelen kan de omgevingsvergunningsprocedure normaliter niet opstarten. De mer-plicht moet nog aangevuld worden met rubriek 10j.

 

Wij zijn van oordeel dat voor deze aanvraag de screening volstaat en er geen noodzaak is voor het opstellen van een milieueffectenrapport. De mer-screening maakt deel uit van het onderzoek naar de volledigheid en ontvankelijkheid van een omgevingsdossier. De screeningsbeslissing wordt door de vergunningverlenende overheid meegedeeld bij de brief volledig en ontvankelijkheid binnen 30 dagen of desgevallend in een navolgend afzonderlijk besluit uiterlijk binnen 90 dagen.

 

Toetsingskader klasse 3 IIOA

De bevoegde overheid heeft bij de melding van de exploitatie van een ingedeelde inrichting van klasse 3 slechts een beperkte beoordelingsbevoegdheid aangaande het toetsen van de hinderaspecten en de goede ruimtelijke ordening. Een recent arrest van de RvVb van 5.10.2023 (RvVb-A-2324-0091) geeft een bredere interpretatie van de boordelingsbevoegdheid bij klasse 3 IIOA. Hierbij blijkt dat als aangetoond wordt dat de inrichting of activiteit niet kan voldoen aan de milieuvoorwaarden, zelfs mits het opleggen van bijzondere voorwaarden, deze niet voor aktename of vergunning in aanmerking komt.

 

Mobiliteit

De verkeersbewegingen bij woningen zijn deze van de bewoners, bezoekers en (afval)transporten en zijn inherent aan het woongebied. De verkeersbewegingen bij dit project betreffen ook het werfverkeer.

 

Water

Afvalwater

Volgens het zoneringsplan is de inrichting gelegen in centraal gebied, voorzien van gescheiden riolering.

 

Hemelwater

Overstroombaar gebied

De inrichting is volgens de nieuwe overstromingskaarten niet gelegen in fluviaal overstroombaar gebied volgens het huidig en toekomstig klimaat én niet gelegen in pluviaal overstroombaar gebied volgens het huidig en toekomstig klimaat (bron: waterinfo.be).

 

Grondwater

De inrichting is niet gelegen in een grondwaterwingebied of -beschermingszone.

De invloedstraal van de ingreep berekend via de bemalingstool van VMM screeningsnota bedraagt ca. 222 m rond de bronbemaling. Aan de rand van dit invloedgebied kan door de bemaling een grondwaterdaling verwacht worden tot 5 cm.

 

Bronbemaling

Lozing bemalingswater

Cascade lozing bemalingswater

Artikel 5.53.6.1.3 van Vlarem II geeft volgende cascade m.b.t. het bemalingswater:

  1. netto debiet beperken Het onttrokken volume bemalingswater wordt maximaal beperkt én het onttrokken grondwater moet maximaal terug in de grond worden gebracht door gebruik van de beste beschikbare technieken (retourputten, infiltratieputten, infiltratiebekkens of infiltratiegrachten). Dit mag geen wateroverlast voor derden veroorzaken. Er zijn ook verplichtingen rond het (deels) terug in de grond brengen voor de grotere bemalingen (kl. 1).
  2. nuttig gebruik waar kan Tenzij anders vermeld in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit mag het gedeelte van het bemalingswater, dat niet terug in de grond gebracht wordt, nuttig gebruikt worden (zie circulair water).
  3. lozing oppervlaktewater of regenwaterafvoer Indien dit technisch niet mogelijk is, dient geloosd te worden in oppervlaktewater of een kunstmatige afvoerweg voor hemelwater of in het gedeelte van de gescheiden riolering dat bestemd is voor de afvoer van hemelwater indien aanwezig binnen een afstand van 200 meter van de bemalingspomp en bereikbaar via openbaar domein (500 m voor grotere bemalingen).
  4. lozing riolering Slechts in laatste instantie mag geloosd worden in openbare riolering, met een verbod op lozing in de vuilwaterafvoer (DWA) indien gescheiden regenwaterafvoer (RWA) aanwezig. Voor debieten boven de 10 m³/u naar RWZI is toestemming van de exploitant van de RWZI (Aquafin) vereist.

Het bemalingswater dat niet terug in de grond gebracht of nuttig hergebruikt kan worden, wordt geloosd in oppervlaktewater, in een kunstmatige afvoerweg voor hemelwater of in het gedeelte van de gescheiden riolering dat bestemd is voor de afvoer van hemelwater. Lozing op een openbare riolering is alleen toegestaan als het conform de beste beschikbare technieken niet mogelijk is om zich op een andere manier van dat water te ontdoen. Tenzij anders bepaald in de omgevingsvergunning mag niet geloosd worden in de openbare riolering als er zich binnen een afstand van 200 meter van de bemalingspomp een kunstmatige afvoer voor hemelwater of oppervlaktewater bevindt die via openbaar domein bereikbaar is.

 

Eerst en vooral moet er beperkt opgepompt worden voordat het lozingsaspect bekeken kan worden.

Een peilsturing van de bemaling is verplicht voor alle bemalingen die vergund/geakteerd worden vanaf 1.07.2025 (art. 5.53.6.1.2§5 van VLAREM II).

Er kan hier niet geïnfiltreerd worden. De bemaling is gesitueerd in een bebouwd gebied.

Er is geen gracht of waterloop gelegen in de onmiddellijke omgeving en/of in een straal van 200 m.

Iets verderop, ter hoogte van de Lintsesteenweg nr. 10, is een gescheiden RWA aanwezig.

 

Het opgepompt grondwater dat niet wordt geretourneerd/geïnfiltreerd, herbruikt of gebruikt voor bevloeiing, kan derhalve hier geloosd worden in oppervlaktewater via de RWA-riolering.

 

(Lozing in de DWA-riolering kan enkel als de waterloopbeheerder van de ontvangende waterloop het expliciet niet toelaat om het volledige debiet te lozen op de waterloop en mits toelating van de rioolbeheerder. Een toelating van de rioolbeheerder en/of beheerder van het zuiveringsstation (Aquafin) is dan vereist voor het lozen van het bemalingswater in riolering.

 

Bemalingsvolumes hoger dan 10 m³/uur mogen niet geloosd worden in openbare rioleringen aangesloten op een rioolwaterzuiveringsinstallatie behoudens de uitdrukkelijke schriftelijke toelating van de exploitant van deze installatie (Aquafin).)

 

Voor elke lozing van bronbemalingswater moet een zandvanger en desgevallend een ontijzering geplaatst worden om verzadiging van de straatkolken, beschadiging van het rioleringsstelsel of zandophoping en aanslag in de beek te voorkomen.

 

lozingsnormen & indelingscriteria gevaarlijke stoffen

Volgende lozingen van bemalingswater zijn niet ingedeeld onder rubriek 3.8:

a) het, al dan niet via een afvalwaterzuiveringsinstallatie, lozen van bemalingswater dat geen gevaarlijke stoffen bevat als vermeld in bijlage 2C, in concentraties die hoger zijn dan de toetsingswaarden, vermeld in artikel 4.2.9.1, §3, 4° = niet verontreinigd bemalingswater

 

b) het, al dan niet via een afvalwaterzuiveringsinstallatie, lozen van bemalingswater dat geen gevaarlijke stoffen bevat als vermeld in bijlage 2C, in concentraties die hoger zijn dan tien keer de toetsingswaarden, vermeld in artikel 4.2.9.1, §3, 4°, met een max. debiet van 1.000 m³ per dag bij een bemaling met een duur van max. zes maanden

= beperkte hoeveelheid aan gevaarlijke stoffen + beperkt lozingsdebiet en tijdsduur;

c) het, al dan niet via een afvalwaterzuiveringsinstallatie, lozen van ander bemalingswater dan potentieel verontreinigd bemalingswater van max. 1.000 m³ per dag bij een bemaling van max. zes maanden; = bemaling (filters) buiten 20 m zone van een bodemdossier (= niet potentieel verontreinigd bemalingswater) + beperkt lozingsdebiet en tijdsduur

 

Overeenkomstig art. 6.2.2.1.1.§1, 4° van Vlarem II is de lozing van niet-verontreinigd bemalingswater en bemalingswater met een beperkte hoeveelheid aan gevaarlijke stoffen niet ingedeeld.

Indien het bemalingswater voldoet aan de lozingsnormen / toetsingswaarde is de lozing niet ingedeeld en valt deze onder uitzonderingsgronden van rubriek 3.8, mits een beperkt lozingsdebiet en tijdsduur (maximaal 1000 m³/d gedurende max. 6 maanden) en geloosde concentraties aan gevaarlijke stoffen (GS) die beperkt blijven tot 10 keer toetsingswaarde (TW). Dit laatste geldt voor alle GS, inclusief prioritair gevaarlijke stoffen (PGS), zoals Cd, PFAS. Dergelijke lozing is niet langer ingedeeld. Omwille van de beperkte duur en beperkte debiet wordt de impact van een niet ingedeelde bemaling aanvaardbaar geacht.

 

In het dossier geeft de exploitant aan dat de lozing valt onder uitzondering ‘c’ van rubriek 3.8: geen potentieel verontreinigd bemalingswater doordat er geen bodemdossiers aanwezig zijn binnen 20 m, < 1.000 m³/dag en < 6 maanden. Men vraagt zonder het voorkomen van een lozingsrubriek wel bijzondere lozingsnormen aan voor de parameters Koper, Nikkel, Zink, Chroom, Arseen en Cadmium tot maximaal 10 x IC en voor Cadmium 1 x IC.

Gezien er minder dan 1.000 m³/dag wordt geloosd en de bemaling minder dan 6 maanden duurt, valt de bemaling onder de uitzonderingen bij rubriek 3.8 en is het reeds toegelaten tot 10 X IC / RG te lozen voor alle (P)GS.

De vraag voor bijzondere lozingsnormen is dan ook niet vereist om dit bemalingswater te mogen lozen.

 

Voor niet-ingedeelde lozingen van bemalingswater gelden wel steeds de voorwaarden van afdeling 6.2.2 van titel II van het Vlarem inzake beheersing van oppervlaktewaterverontreiniging en de sectorale voorwaarden van hoofdstuk 5.53.

 

Analyse & onderzoek

Er zijn hier binnen de 20-zone van de ontrekkingspunten/filters geen bodemdossiers gelegen dus is er volgens Vlarem geen verplichte analyse van toepassing.

Voor niet ingedeelde lozingen van bemalingswater mogen gevaarlijke stoffen geloosd worden tot max. 10*IC (of RG) (P)GS.

 

BODEMDOSSIERS

Binnen de invloedstraal, doch buiten de 20m zone, van de bronbemaling zijn een 4-tal bodemdossiers gekend (zie bodem).

Er werd een onderzoek gedaan naar de inhoud van de bodemonderzoeken. Beoordeling van relevante risicopercelen en gekende verontreinigingsbronnen toont aan dat er geen mobilisatie-effect of instroom van verontreiniging wordt vastgesteld van antropogene verontreinigingen. Verdere maatregelen zijn niet noodzakelijk. Er wordt daarnaast opgemerkt dat er van nature zware metalen voorkomend zijn in de omgeving.

 

PFAS

Tevens dient aandacht te gaan naar terreinen met mogelijke PFAS-verontreiniging zoals oefenterreinen van de brandweer of de grotere gekende sites. Op dergelijke terreinen is een contour van 100 m van toepassing waarbinnen no regret-maatregelen gelden.

Volgens de PFAS-verkenner van de Databank Ondergrond Vlaanderen is er geen PFAS-risicosites gelegen binnen de invloedstraal van de bronbemaling en is er geen overlapping van de invloedstraal met een zone van no regret-maatregelen rond een PFAS-risicosite.

 

BIJZONDERE LOZINGSNORMEN

Een bijzondere lozingsnorm wordt preventief gevraagd om bemalingswater met een hogere concentratie van gevaarlijke stoffen dan de indelingscriteria te mogen lozen. Volgende normen worden gevraagd:

Parameter ........... gewenste bijz. norm ..... norm bijlage 2.3.1 - IC/RG/TW .............. afwijking

Arseen .............. 50 μg/l ....................... 5 μg/l ................................................. 10 x IC

 

Zink ................... 2.000 μg/l ................... 200 μg/l .............................................. 10 x IC

Nikkel ................ 300 μg/l ...................... 30 μg/l PS ........................................... 10 x IC

Koper ................. 500 μg/l ...................... 50 μg/l ................................................ 10 x IC

Chroom .............. 500 μg/l ...................... 50 μg/l ................................................ 10 x IC

Cadmium ............ 0,8 μg/l ....................... 0,8 μg/l (PGS) ..................................... 1 x IC

Een afwijking tot 10 X het IC GS kan in principe worden toegekend voor zover het geen prioritair gevaarlijke stoffen (PGS) betreft waarvoor volgens het decreet integraal waterbeleid maatregelen getroffen moeten worden met het oog op stopzetting of geleidelijke beëindiging van lozingen, emissies en verliezen. Ook voor prioritaire stoffen (PS) zijn er aandachtspunten: voor deze stoffen moeten maatregelen getroffen worden die gericht zijn op progressieve vermindering.

Echter, in dit geval is de lozing van het bemalingswater niet ingedeeld. Het is procedureel niet mogelijk zonder lozingsrubriek verhoogde bijzondere lozingsnormen aan te vragen. Bovendien vallen de gewenste normen al binnen het reguliere normenkader voor beperkte lozingen (zijnde 10*IC (of RG) (P)GS). De gevraagde bijzondere lozingsnormen zijn dan ook zonder voorwerp.

 

Circulair water

Gelet op de steeds groter wordende droogteproblematiek en het ondertekenen van de burgemeestersconvenant 2030 door de gemeente kan de lozing van het bemalingswater gunstig geadviseerd worden, mits te voorzien in een mogelijkheid tot gebruik voor derden.

Ook in de Blue deal, hét plan van de Vlaamse Overheid in de strijd tegen droogte en waterschaarste enerzijds en wateroverlast anderzijds, staan volgende pijlers centraal:

1. Openbare besturen geven het goede voorbeeld en zorgen voor gepaste regelgeving

2. Circulair watergebruik als regel

3. Landbouw en natuur als deel van de oplossing

4. Particulieren sensibiliseren en stimuleren om te ontharden

5. Verhogen van de bevoorradingszekerheid

6. Samen investeren in innovatie om ons watersysteem slimmer, robuuster en duurzamer te maken

 

Bijgevolg moet het grondwater dat onttrokken wordt bij de bronbemalingen, in zoverre dit met toepassing van de beste beschikbare technieken mogelijk is, nuttig worden gebruikt. Het hergebruik van bemalingswater is hierbij geen doel op zich, in eerste instantie moeten alle mogelijkheden worden toegepast om de bemaling te beperken en het water terug in de grond te brengen.

 

Praktische richtlijnen voor hergebruik van bemalingswater

WAT

Het is niet aanbevolen om dit type water te gebruiken voor het aanvullen van regenwaterputten omwille van de milieu-hygiënische waterkwaliteit. Het gebruik van niet geretourneerd/geïnfiltreerd grondwater in het kader van land- en tuinbouw, bevloeien van parken en groenvoorzieningen, nuttige toepassing bij de werken en particulier gebruik zoals het beregenen van tuinen of gebruik als reinigingswater voor buitenverhardingen behoort wel tot de mogelijkheden.

 

HOE

Indien het bemalingsdebiet voldoende hoog is, kan een afnamepunt met debietsmeter op de leiding volstaan. Zo niet kan er een buffer voorzien worden. Het plaatsen van een ontijzeringsbuffer kan ingezet worden om als aftappunt te dienen of geeft de mogelijkheid om water uit op te pompen. Voor kleinschalige afnamepunten voor buurtbewoners kan het opstellen van een buffervat type 'IBC-container' op een verhoog volstaan. Bij de keuze voor een bufferopstelling dient er rekening gehouden worden met de mogelijke invloed op de kwaliteit van het bemalingswater door algengroei, legionella e.d. indien het gebufferde water niet afgeschermd is van licht en temperatuurstijging, indien het water in de buffer voor lange tijd stilstaat op warme dagen en/of het water onvoldoende ververst wordt.

 

Bij het aanbieden van bemalingswater moeten volgende richtlijnen in acht worden genomen:

        De aftappunten moeten op veilig bereikbare plaatsen voorzien worden.

        Indien gebruik gemaakt wordt van een motorvoertuig voor het transport van bemalingswater, mag het aftappen niet voor 7 uur en niet na 19 uur gebeuren, en eveneens niet op zon- en feestdagen. Het afnamepunt moet voorzien zijn van een bord (vb. A4-blad geplastificeerd) met opschrift ‘gratis grondwater’ en volgende waarschuwingen: Gebruik op eigen risico.

        Dit is geen drinkbaar water (met symbool).

        Er is geen garantie dat dit water aan de veiligheidsnormen voldoet voor dierenwelzijn of voedselveiligheid.

        Dit water kan ijzer bevatten dat wanneer het in contact komt met lucht voor een bruine verkleuring zorgt: dit kan een ongewenst effect hebben op o.a. bepaalde teelten of te reinigen oppervlaktes.

 

Ingevolge de Vlarem-trein 2019 m.b.t. de wijzigingen aangaande grondwaterwinningen en bronbemalingen, van kracht op 12.12.2022, is het terug in de ondergrond brengen van bemalingswater in dezelfde watervoerende laag én het nuttige gebruik en ter beschikking stellen van bemalingswater aan derden tot 5.000 m3/jaar voortaan automatisch inbegrepen in de bemalingsvergunning.

Het bemalingswater retourneren en/of verstrekken aan buurtbewoners voor huishoudelijk gebruik (zoals het beregenen van de tuin) en/of aan professionelen zoals landbouwers of gemeentelijke diensten (om gewassen of groenaanleg te bevloeien) heeft prioriteit op het lozen van het bemalingswater. De voorwaarden staan beschreven in art. 5.53.6.1.1. van Vlarem II.

(Volgens art. 5.53.6.1.3§3 is het hergebruik van bemalingswater niet van toepassing als de bemaling volledig of gedeeltelijk op een perceel of binnen 20 m ligt van een perceel dat een risicogrond is als vermeld in artikel 2, 13° van het Bodemdecreet van 27 oktober 2006, of op een perceel waarvoor een decretaal bodemonderzoek is uitgevoerd conform het VLAREBO-besluit van 14 december 2007.

Ook als vanuit gronden binnen de invoedstraal van de bemaling verontreinigende of gevaarlijke stoffen te verwachten zijn in het bemalingswater is hergebruik uit voorzorg niet aangewezen.)

Met behoud van de toepassing van artikel 5.53.3.1 inzake de debietsmeter op de eigenlijke bronbemaling, worden bijkomende debietmeters voorzien zodat per watervoerende laag het volume bemalingswater dat niet terug in de watervoerende laag gebracht kan worden, en het volume bemalingswater dat nuttig gebruikt wordt, bepaald kunnen worden.

 

Bodem

Om de potentiële invloed van een bronbemaling op de bestaande bodemvervuilingen en eventuele verspreiding ervan in te schatten, is het belangrijk om op voorhand de bodemverontreinigingen in kaart te brengen. Voornamelijk binnen de 20 m van bemaling dient er nagegaan te worden of er verontreiniging aanwezig kan zijn.

 

Binnen de invloedstraal zijn er bodemdossiers (bodemonderzoeken en bodemsaneringsprojecten) gekend (bron: ovam-kaart ‘bodemonderzoeken en saneringen’ te raadplegen via Geopunt).

Voor de oriënterende bodemonderzoeken (OBO’s) waaruit geen beschrijvend onderzoek gevolgd is en voor de oudere beschrijvende bodemonderzoeken (BBO’s) waarvoor tot op heden geen bodemsaneringsproject voor werd opgesteld kunnen we stellen dat de risico’s wellicht eerder beperkt zijn. Wat wèl bijzondere aandacht vraagt zijn alle decretale bodemonderzoeken (OBO, BBO, siteonderzoek, waterbodemonderzoek, (eind)evaluatierapport en gasolietankgerelateerd bodemonderzoek) binnen een straal van 20 m van de filters of onttrekkingspunten van de bemaling. Hiervan dienen de aard van de verontreiniging en de mogelijke risico’s tot verdere verspreiding via het opgepompt grondwater en via de bodem gekend te zijn, alsook de eventuele restverontreiniging bij uitgevoerde bodemsaneringsprojecten.

 

Als er binnen die contour van 20 m een overlap is met een ‘potentieel verontreinigd’ perceel, dan wordt het bemalingswater beschouwd als ‘potentieel verontreinigd bemalingswater’ (zie luik lozing bemalingswater).

 

Het omgevingsdossier bevat een onderzoek naar de inhoud van de bodemonderzoeken en de mogelijke effecten van de bemaling op de bodem. Volgens het resultaat van de bemalingstool van de VMM, bijgevoegd in de bemalingsnota, wordt er geen onaanvaardbare verplaatsing van de verontreinigingen verwacht over een periode van 120 dagen. Er kan dus vanuit gegaan worden dat er geen effecten zijn op bodem.

 

Zettingsrisico’s bemaling

Een grondwaterverlaging zal, door het verdwijnen van het water en de waterspanning, aanleiding geven tot het verhogen van de korrelspanning. Deze toename van deze korrelspanningen kan zettingen doen ontstaan. Uit het geotechnisch rapport blijkt dat de zettingsrisico’s kleiner zijn dan de toegelaten 20 mm.

 

Lucht

Voor verwarming wordt gebruik gemaakt van warmtepompen, hiervan zijn geen emissies verwachten.

 

In het toestel wordt het milieuvriendelijk R290 (propaangas) gebruikt als koelmiddel.

Het onderhoudsattest, logboek en/of keuringsverslag afgeleverd door de koeltechnicus zoals bedoeld in art. 5.16.3.3 Vlarem II dient ter beschikking gehouden te worden op de inrichting.

Voor de beoordeling van de emissies i.k.v. het Stikstofdecreet verwijzen we naar het luik ‘biodiversiteit’.

 

Geluid

bemalingspompen

De pompen die (eventueel) gebruikt worden gedurende de bemalingsperiode zullen onvermijdelijk geluid en trillingen produceren. Om deze hinder tot een minimum te herleiden is het aangewezen dat er nabij woningen gebruik gemaakt wordt van geluidsarme (elektrische) pompen en/of dient de pomp voorzien te worden van een geluidsisolerende omkasting. Binnen het dorpscentrum kan het aangewezen zijn dit mee op te nemen in de bijzondere voorwaarden.

 

warmtepompen

Geluidsemissie zijn te verwachten van buitenunits op het dak, aan de gevels(s), op de terrassen of in de tuin.

 

Voor niet-ingedeelde warmtepompen (ind. < 5kW) zijn er productnormen en richtwaarden voor geluid volgens de recente code van goede praktijk. . De installatie mag geen overmatige hinder veroorzaken. Er dient rekening gehouden worden met volgende richtwaarde nabij de buren, aanpalende tuinen en/of terrassen van buurwoningen: max. 45 dBA overdag (tussen 7 u- 22 u) en max. 40 dBA ’s nachts (tussen 22u en 7 u). Tijdens de nacht kan geluidshinder aanzien worden als nachtlawaai volgens het Strafwetboek.

 

Voor meer informatie verwijzen we naar de publicatie omtrent omgevingsaspecten bij warmtepompen en de code van goede praktijk i.f.v. de plaatsing om hinder te voorkomen.

 

Geluidsbeperkende maatregelen voor buiteninstallaties zijn vaak nodig om te kunnen voldoen aan de richtwaarden voor geluid volgens de code van goede praktijk (voor niet ingedeelde warmtepompen), inzonderheid voor het behalen van de nachtnorm. Uit voorzorg zijn mogelijk bijkomende maatregelen nodig om aan de nachtnorm te kunnen voldoen zoals het gebruik van installaties van het geluidsarme type en/of eventuele geluidsisolerende omkasting of unitcovers. Ook de positie van de installatie dient zo gekozen te worden dat de afstand tot aangrenzende percelen voldoende groot is en geluid zoveel mogelijk weg van de omliggende woningen wordt geprojecteerd.

Voor geluidsbronnen (puntbronnen) die in de buitenlucht staan geldt dat het geluidsniveau afneemt met 6 dBA per verdubbeling van de afstand. Voor het optellen van het geluid van de units dient er bij elke verdubbeling 3 dBA te worden bijgerekend.

Het dossier bevat geen geluidsberekening of aftoetsing van de geluidsnormen. Aangezien het gaat over een niet-ingedeelde installatie nemen we dit niet verder op in dit advies maar adviseren we wel om in het besluit te verwijzen naar de ‘code van goede praktijk’ i.f.v. voorkomen van burenhinder.

 

bouwwerven

We merken op dat ook op bouwwerven de geluidsreglementering dient nageleefd te worden waarbij, buiten de bepalingen in het lokale GAS-regelement en aanbevelingen in de BBT’s, de verstoring van de nachtrust van de omwonenden is verboden volgens art. 561 van het Strafwetboek m.b.t. nachtlawaai.

Dit betreft volgens de rechtsleer de periode van zonsondergang tot zonsopgang. Bovendien dienen ook overdag de nodige voorzorgen getroffen te worden om overdreven of niet noodzakelijk lawaai te voorkomen.

 

Biodiversiteit

Binnen de invloedstraal van de bronbemaling zijn geen Vogel- of Habitatrichtlijngebied, VEN/IVON-gebied of andere speciale beschermingszones gelegen.

De inrichting is niet gelegen in biologisch waardevol gebied volgens de Biologische waarderingskaart. Aan de rand van de invloedstraal is een complex van biologisch waardevolle en biologisch minder waardevolle elementen gelegen. Binnen de invloedstraal zijn echter geen gebieden gelegen die aangeduid zijn als zeer kwetsbaar of kwetsbaar voor verdroging op de ecotoopkwetsbaarheidskaart van Vlaanderen.

Er zijn geen aanzienlijke effecten te verwachten ten gevolge van deze aanvraag op de speciale beschermingszones, bijzondere gebieden of natuurwaarden.

Gelet op artikel 36ter§3 van het natuurdecreet dient er enkel voor vergunningsplichtige activiteiten nagegaan te worden of er een negatieve impact kan zijn op de speciale beschermingszones.

De voorliggende aanvraag omvat enkel meldingsplichtige activiteiten.

 

Bij meldingsplichtige activiteiten wordt ervan uitgegaan dat de hinder en impact normaliter tot een aanvaardbaar niveau beperkt blijft bij naleving van de algemene en sectorale voorwaarden.

De voorliggende aanvraag betreft een gemengd project welk in totaliteit vergunningsplichtig is.

Het resultaat van de Voortoets geeft aan dat er vanuit de bronbemaling geen risico is op betekenisvolle aantasting van de actuele en mogelijk toekomstige habitats in habitatrichtlijngebied voor de verschillende effectgroepen ten gevolge van direct ruimtebeslag of eutrofiëring / verzuring / verzoeting / verzilting / verontreiniging / verdroging via het grondwater.

 

kritische depositiewaarde (KDW): mobiliteit

Wat betreft verkeersemissies valt elk verkeersgenerend project of project dat stikstofemissiegenerende vervoersbewegingen veroorzaakt, in principe onder toepassing van het Stikstofdecreet met een maximale impactscore van 1% als drempelwaarde. Evenwel blijkt uit de praktische wegwijzer en de voortoetstabellen uit de studie ‘Voertuigemissies en de minimis-normen: een analytische benadering voor wegverkeer’ (VITO-rapport 2024/EI/R/3195) dat bij eenvoudige dossiers het aantal verkeersbewegingen voor lichte voertuigen (tabel 3, vb. personenwagens en bestelwagens) en zware voertuigen (tabel 4, vb. vrachtwagens en bussen) waarbij geen overschrijding optreedt van de 1% de minimisdrempel behoorlijk hoog ligt.

In het stedenbouwkundig luik van de aanvraag stelt men dat het project niet valt onder het toepassingsgebied van de beoordelingskaders van het stikstofdecreet. In het milieuluik, bij de inrichting warmtepompen, stelt men dan weer dat het project is opgenomen op de lijst van projecten met een impactscore lager dan of gelijk aan 1%. Deze gegevens spreken elkaar tegen en zijn overigens beiden foutief volgens het schema toepassing beoordelingskaders waaruit blijkt dat het ‘Beoordelingskader MOBILITEIT’ van toepassing is.

In de exploitatiefase is er bijkomstig verkeer te verwachten afkomstig van de bewoners van de wooneenheden en hun eventuele bezoekers. Bijgevolg is dit een verkeersgenererend project en valt het onder het toepassingsgebied van het beoordelingskader mobiliteit van het decreet over de programmatische aanpak stikstof. Deze aanvraag dient daarom een stikstofnota met impactscoreberekening op basis van de verkeerstabellen te bevatten om het effect van de NH3 - NOx emissies na te gaan op de speciale beschermingszones of aandachtsgebieden.

 

De exploitant dient nog bij te voegen.

 

Afvalstoffen

Bronsortering / gescheiden aanbieden & afvoeren van afvalstoffen

Artikel 4.3.2 van het Vlarema bepalen welke afvalstoffen afzonderlijk moeten worden aangeboden en afzonderlijk worden gehouden bij de ophaling of inzameling. De afvalstoffenproducent die bedrijfsrestafval heeft en die een beroep doet op een inzamelaar, afvalstoffenhandelaar of -makelaar van bedrijfsrestafval is verplicht een contract af te sluiten waarin de afvalfracties, vermeld in het eerste lid, en hun vooropgestelde inzamelwijze duidelijk vermeld worden.

Ook dienen er voor de te verwachten afvalstromen (vb. restafval, pmd, papier & karton, ... zie art. 4.3.2 Vlarema) daartoe selectieve recipiënten aanwezig te zijn volgens de principes van bronsortering. Hierbij dienen eveneens de sorteerinstructies duidelijk te worden aangegeven voor derden, werknemers of bezoekers.

Ook voor huishoudelijke afvalstoffen is er een reglementering van toepassing rond van bronsortering en gescheiden aanbieden / afvoeren van afvalstoffen conform art. 4.3.1 van het Vlarema.

 

Afwijking milieuvoorwaarden

Er wordt een bijzondere lozingsnorm gevraagd voor lozing in oppervlaktewater, volgens art. 4.2.3.1.3 in afwijking van de lozingsnormen in bijlage 2.3.1 van Vlarem II.

Zie luik ‘lozingsnormen & indelingscriteria gevaarlijke stoffen’ bij de beoordeling van de bemaling.

 

Beoordeling

Het afwijkingsverzoek is zonder voorwerp.

 

Conclusie

We gaan ervan uit dat voor de bronbemaling bij het naleven van de algemene en sectorale voorwaarden de risico’s en hinder als bedoeld in artikel 5.1.3 van het decreet algemene bepalingen inzake milieubeleid tot een aanvaardbaar niveau beperkt blijven.

Onderhavig advies is slechts voorwaardelijk gunstig onder uitdrukkelijk voorbehoud van het aanvullen van de merplicht voor rubriek 10j bij een vergunningsplichtig project en het bijbrengen van een stikstofnota waaruit blijkt dat de milieudruk aanvaardbaar is bij een impactscore van minder dan 1%.

Advies

 

Op basis van alle gegevens opgenomen of verkregen in het kader van de omgevingsvergunnings-

aanvraag, geven wij gunstig advies, en kan de vergunning worden verleend voor de exploitatie van de inrichting gelegen aan de Lintsesteenweg 22 te Hove (afdeling 1, sectie A, perceelnr. 176B2, 212N, 183P en 212L), omvattende:

 53.2.1: een tijdelijke bronbemaling bij een bouwproject met een netto opgepompt debiet van max. 600 m³/dag (bruto dagdebiet 600 m³) en 24.796 m³ in totaal met een verlaging van het grondwaterpeil tot op 3,9 m onder het maaiveld en dit gedurende max. 120 dagen met een lozing in RWA, uitmondend in oppervlaktewater

 

a. voor een termijn van maximaal 120 dagen vanaf de melding van start van de bemaling aan de gemeente en volgens de registratie ‘actieve bemaling’ op e-DOV,

b. mits naleving van de volgende algemene, sectorale en bijzondere milieuvoorwaarden:

 Algemeen

Omschrijving

Deel

Artikels

Algemene voorschriften

Hfst. 4.1

Art. 4.1.0.1 – Art. 4.1.13.5

Oppervlaktewater

Hfst. 4.2 - Afd. 4.2.1 t/m 4.2.8

Art. 4.2.1.1 - Art. 4.2.8.3.1

Bodem en grondwater

Hfst. 4.3 - Afd. 4.3.1 t/m 4.3.3

Art. 4.3.1.1 - Art. 4.3.3.1

Lucht

Hfst. 4.4 - Afd. 4.4.1 t/m 4.4.8

Art. 4.4.1.1 - Art. 4.4.8.4

Geluid

Hfst. 4.5 - Afd. 4.5.1 t/m 4.5.7

Art. 4.5.1.1 - Art. 4.5.7.1.5

Licht

Hfst. 4.6

Art. 4.6.0.1 - Art. 4.6.0.5

Asbest

Hfst. 4.7

Art. 4.7.0.1 - Art. 4.7.0.3

 

Bespreking adviezen

Het advies van de GECORO Hove dd. 10 februari 2026 is voorwaardelijk gunstig. Het advies wordt bijgetreden. Er werd tegemoet gekomen aan de voorwaarden van de GECORO met uitzondering van een publieke functie voor de voormalige weverij.

 

Het advies van de dienst Milieu Hove dd. 1 juni 2026 is voorwaardelijk gunstig. De voorwaarden uit het advies dienen strikt te worden nageleefd;

 

Het advies van de dienst Mobiliteit, Openbare werken en veiligheid (MOWV) dd. 24 maart 2026 is voorwaardelijk gunstig. De voorwaarden uit het advies dienen strikt te worden nageleefd;

 

Het advies van de Minaraad Hove dd. 10 maart 2026 is voorwaardelijk gunstig. De voorwaarden uit het advies dienen strikt te worden nageleefd;

 

Het Agentschap Natuur en Bos meld per bericht dd. 15 januari 2026 geen advies aan te leveren;

 

Het advies van Aquafin dd. 20 februari 2026 is voorwaardelijk gunstig. Naar aanleiding van een aangepaste projectinhoudversie werd er een nieuwe advies gevraagd dd. 3 april 2026. Het advies dd. 13 april 2026 is voorwaardelijk gunstig. De voorwaarden uit het advies dienen strikt te worden nageleefd.

 

Het advies van de Brandweer Zone Rand dd. 29 januari 2026 is voorwaardelijk gunstig. De voorwaarden uit het advies dienen strikt te worden nageleefd.

 

Het advies van Fluvius dd. 19 januari 2026 is voorwaardelijk gunstig. De voorwaarden uit het advies dienen strikt te worden nageleefd;

 

Het Agentschap Onroerend Erfgoed meld per bericht dd. 15 januari 2026 geen advies aan te leveren;

 

Het advies van de Streekvereniging Zuidrand (IOED) dd. 27 april 2026 is voorwaardelijk gunstig. De voorwaarden uit het advies dienen strikt te worden nageleefd;

 

Het advies van Proximus dd. 5 februari 2026 is voorwaardelijk gunstig. De voorwaarden uit het advies dienen strikt te worden nageleefd;

 

Het advies van IGEAN dd. 13 februari 2026 is voorwaardelijk gunstig. De voorwaarden uit het advies dienen strikt te worden nageleefd;

 

Het advies Dienst Integraal Waterbeleid, Provincie Antwerpen dd. 24 maart 2026 is ongunstig. Naar aanleiding van een aangepaste projectinhoudversie werd er een nieuwe advies gevraagd dd. 3 april 2026. Het advies dd. 5 mei 2026 is voorwaardelijk gunstig. De voorwaarden uit het advies dienen strikt te worden nageleefd.

 

Resultaat openbaar onderzoek

Het openbaar onderzoek werd gehouden van 24 januari 2026 tot en met 22 februari 2026. Er werden 5 bezwaarschriften ontvangen.

 

De aanvraag werd onderworpen aan een openbaar onderzoek dat liep van 24 januari 2026 tot en met 22 februari 2026. Er werden tijdens het openbaar onderzoek 5 bezwaarschriften ingediend.

 

Op 2 april 2026 werd per e-mail door de raadsman van een van de bezwaarindieners verzocht om het bezwaarschrift formeel in te trekken. Aan dit verzoek werd gevolg gegeven, waardoor het betrokken bezwaarschrift niet verder in aanmerking werd genomen bij de behandeling van de bezwaren. In totaal werden in het kader van de aanvraag vier bezwaarschriften behandeld.

 

De bezwaarschriften kunnen als volgt worden samengevat:

 

  1. Nieuwe trage weg tussen de woningen Emiel Van Hemeldonckstraat 32 en 34;
  2. Verlies van privacy:

     Afstand van de gebouwen tot de perceelgrens;

     Het rooien van de bestaande aanplanting op het terrein, voornamelijk in de rand van het perceel;

  1. De opsplitsing van het project in twee gebouwen heeft nadelen.

 

De bezwaarschriften worden als volgt beoordeeld:

 

  1. De aanvraag voorziet momenteel een trage weg tussen de percelen gelegen aan de Emiel Van Hemeldonckstraat nr. 34 en 32. In het bezwaarschrift wordt gevraagd om bijkomende maatregelen te voorzien met betrekking tot privacy en woonkwaliteit, zoals een duurzaam afsluitwerk en extra groenbuffers tussen de trage weg en de aanpalende percelen.

 

De geplande inrichting van de trage weg situeert zich binnen een stedelijke context waar een zekere mate van nabijheid tussen publieke en private ruimte inherent is aan de ruimtelijke structuur. Het voorzien van een publieke doorsteek of trage verbinding is een gebruikelijke stedenbouwkundige ingreep die op zich geen abnormale aantasting van privacy of woonkwaliteit inhoudt.

 

Daarnaast is het perceel voor de insteek al jaren onderdeel van het openbaar domein en was het in principe geweten dat deze doorsteek er ooit zou kunnen komen. Het perceel voor de trage weg is niet voldoende breed voor het voorzien van een afsluiting met groenbuffer aangezien de doorsteek ook dient te fungeren als brandweg. Hierbij wordt ook opgemerkt dat ter hoogte van de perceelsgrens met nr. 34 reeds een haag aanwezig is. Verder staat het de eigenaars van de aangrenzende percelen vrij om, binnen de geldende regelgeving, zelf afsluitingen of beplantingen op hun eigen perceel te voorzien indien zij bijkomende privacy wensen. Het bezwaar is deels gegrond. Er worden bijkomende voorwaarden opgelegd om tegemoet te komen aan het bezwaar.

 

Om tegemoet te komen aan de verzuchtingen van de aanpalende en met het oog op een uniform openbaar domein, zal er in de voorwaarden een verplichte afsluiting worden voorzien met open draadafsluiting (type Bekaert) ter hoogte van de perceelgrenzen van de woningen Emiel Van Hemeldockstraat 32 - 34. De afsluiting dient 2,00 meter hoog te zijn en dient te lopen van de achtergelegen perceelgrens van de betrokken percelen tot aan de voorbouwlijn (voorgevel). De voortuinzone dient vrij te blijven van afsluitingen, hoger dan 1,00 meter, deze vallen niet onder de verplichting van de aanvrager.

 

  1. Het verlies van privacy. Er worden verschillende opmerkingen geformuleerd omtrent het verlies van privacy. Hoofdzakelijk door het verlies van groen en de positionering van de gebouwen.

        Afstand van de gebouwen tot de perceelgrens

 

De afstand van ongeveer 10,00m tot de perceelsgrens voldoet aan de geldende stedenbouwkundige richtlijnen (45°-regel) en wordt bovendien aangevuld met tussenliggende groenzones en bufferbeplanting. Privacy-impact moet niet enkel beoordeeld worden op basis van de afstand tot de perceelsgrens, maar ook rekening houdend met:

        De effectieve afstand tussen gevels en achtertuinen;

        De oriëntatie van de gebouwen;

        De aanwezigheid van bestaande en nieuwe groenbuffers;

        De inrichting van de buitenruimte.

 

Het bezwaar is ongegrond.

 

        Het rooien van de bestaande aanplanting op het terrein, voornamelijk in de rand van het perceel

Er zijn in de rand van het perceel diverse bestaande groenaanplantingen aanwezig. De groenaanplanting bestaat hoofdzakelijk uit hoge coniferen. In het nieuwe groenplan worden diverse bomen en hogere aanplanting voorzien in de rand van het perceel. Er worden eveneens grote plantmaten opgelegd voor de aan te planten bomen om de periode waarin de bomen nog niet volledig volgroeid zijn zo kort mogelijk te houden.

Het bezwaar is deels gegrond. Er worden bijkomende voorwaarden opgelegd om tegemoet te komen aan het bezwaar.

 

  1. De opsplitsing van het project in twee gebouwen heeft nadelen.

De keuze voor twee gebouwen is stedenbouwkundig verantwoord omdat:

        De bouwmassa wordt opgebroken waardoor het project minder monolithisch oogt;

        Er meer doorzichten en open ruimte ontstaan;

        De inpassing in de omgeving verbeterd wordt;

        Lichtinval en bezonning tussen de gebouwen kan toenemen.

 

Argumenten over hogere bouwkosten of een mogelijk minder gunstige energieprestatie zijn geen stedenbouwkundige beoordelingscriteria binnen een omgevingsvergunningsprocedure. Bovendien moeten alle gebouwen voldoen aan de actuele EPB-regelgeving, waardoor een voldoende energieprestatie gegarandeerd wordt.

 

Privacy tussen de nieuwe gebouwen onderling: Inkijk tussen appartementen is een gebruikelijk aandachtspunt bij meergezinswoningen en kan worden beperkt door:

        een doordachte positionering van ramen en terrassen;

        voldoende afstand tussen de gebouwen;

        architecturale maatregelen zoals schermen of groenaanleg.

 

Het project voorziet in voldoende maatregelen om de privacy van de gebouwen onderling.

 

Het bezwaar is ongegrond.

 

Normen sociaal of bescheiden woonaanbod

Het 'addendum B29 Bescheiden woonaanbod' werd foutief ingevuld vanaf vraag 3. Er is weldegelijk een last verbonden aan de aanvraag. De last van 20% is van toepassing op de aanvraag.

 

Er werd geen aankoopoptie toegevoegd aan de voorliggende aanvraag. Er worden twee entiteiten voorzien in functie van een bescheiden woonaanbod.

 

De aanvraag is mits het opleggen van lasten in overeenstemming met de normen en percentages betreffende de verwezenlijking van een bescheiden woonaanbod, vastgesteld in de Vlaamse Wooncodex.

 

Art. 5.101 van de Vlaamse Codex Wonen stelt:

 

§1. Indien de verkavelaar of de bouwheer ervoor opteert om de last in natura uit te voeren, verwezenlijkt hij het vooropgestelde bescheiden woonaanbod binnen een termijn van acht jaar na de afgifte van de vergunning in laatste administratieve aanleg of, indien de vergunning uitdrukkelijk melding maakt van verschillende fasen van het verkavelingsproject of het bouwproject, binnen de acht jaar na de aanvang van de vergunningsfase waarin het bescheiden woonaanbod moet worden verwezenlijkt.

 

§2. De verkavelaar of de bouwheer waarborgt de uitvoering van de last door middel van het verlenen van een aankoopoptie ten bate van een sociale woonorganisatie of een openbaar bestuur, vermeld in artikel 4.13. In afwijking van de gemeenrechtelijke regelen van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning, mag van de vergunning eerst gebruik worden gemaakt vanaf het verlijden van de onderhandse akte waarin de aankoopoptie wordt verleend.

 

Op grond van de aankoopoptie stemt de verkavelaar of de bouwheer toe in de verkoop, aan de beneficiaris van de optie, van de op het verkavelings- of bouwplan voor een bescheiden woonaanbod aangewezen gronden. De beneficiaris kan de optie eerst lichten indien het vooropgestelde bescheiden woonaanbod niet is verwezenlijkt binnen de termijn, vermeld in § 1. Het optierecht vervalt indien het niet wordt uitgeoefend binnen de drie jaar na het verstrijken van de termijn, vermeld in §1.

 

Als de aankoopoptie wordt gelicht, betaalt de beneficiaris voor de verkochte gronden de schattingsprijs, die gelijk is aan de venale waarde van de gronden ten tijde van de afgifte van de omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden of de omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen. Bij de raming van deze venale waarde wordt geen rekening gehouden met de gevolgen van de last, en worden in voorkomend geval minstens de volgende kosten in mindering gebracht:

 

1° de kosten voor de verwerking en de sanering van vervuilde grond bij grondverzet;

2° de extra kosten voor de plaatsing van een zwaardere fundering bij onvoldoende stabiliteit van de grond voor de daarop op te richten woningen;

3° de kosten voor de verwijdering van het nog aanwezige puin.

 

De op grond van de aankoopoptie verkochte gronden worden ingezet ten bate van het gemeentelijk woonbeleid.

 

§3. In afwijking van paragraaf 2 kan de verkavelaar of bouwheer de uitvoering van de last waarborgen door de storting van een afdoende financiële waarborg of door een door een bankinstelling op onherroepelijke wijze verleende afdoende financiële waarborg.

 

Voor een bescheiden woning worden de volgende volumes gehanteerd:

 

Art. 1.3 § van de Vlaamse Codex Wonen stelt:

3° bescheiden woonaanbod: het aanbod aan huurwoningen, koopwoningen en kavels, met uitsluiting van het sociaal woonaanbod, dat met behoud van de toepassing van artikel 5.94, §1, tweede lid en artikel 5.96, tweede lid, bestaat uit:

 

a) kavels met een oppervlakte van ten hoogste 500 m²

b) eengezinswoningen met een bouwvolume van ten hoogste 550 m³

c) overige woningen met een bouwvolume van ten hoogste 240 m³, te verhogen met

50 m³ voor woningen met drie of meer slaapkamers

 

Voor de bescheiden last komen alle woonentiteiten in aanmerking (20 wooneenheden) binnen de voorliggende aanvraag. Er dient een waarborg te worden gesteld voor 20% van deze 20 woongelegenheden ofwel voor 4 woongelegenheden.

 

Art. 5.103 van de Vlaamse Codex Wonen stelt dat de bijdrage wordt berekend door het aantal woningen of kavels dat overeenstemt met het gedeelte van de last dat niet wordt uitgevoerd in natura (art. 5.101) of door verkoop aan een sociale woonorganisatie of een lokaal openbaar bestuur (art. 5.102), te vermenigvuldigen met het geïndexeerde forfaitair bedrag voor het grondaandeel bij de aankoop van een bestaande woning waaraan hoogstens beperkte investeringen moeten worden gedaan voor ze ter beschikking kan worden gesteld als sociale huurwoning. Dit geïndexeerde forfaitair bedrag is opgenomen in het Besluit Vlaamse Codex Wonen Boek 5, Deel 2, art. 5.38, §2, 2de lid en art. 5.47. Het oorspronkelijke forfaitaire bedrag was 25.000 euro, het geïndexeerde bedrag voor 2026 bedraagt 60.200 euro. Voor voorliggende aanvraag komt dit neer op 240.800 euro. Bij vergunning dient er een last te worden opgelegd ter verwezenlijking van het bescheiden woonaanbod.

 

Conclusie gemeentelijk omgevingsambtenaar

Op basis van de bovenvermelde motivering wordt de aanvraag voorwaardelijk gunstig geadviseerd  mits te voldoen aan volgende voorwaarden:

        De werken op het terrein mogen slechts worden aangevat nadat de beheersovereenkomst, goedgekeurd door de gemeenteraad op 21 april 2026, door de betrokken partijen (de aanvrager en de gemeente) is ondertekend;

        De voorwaarden uit de beslissing van de gemeenteraad dd. 21 april 2026, betreffende de wegenis, dienen strikt te worden nageleefd:

     Het ondertekenen en naleven van de beheersovereenkomst zoals opgenomen in de bijlage van het gemeenteraadsbesluit en dit voorafgaande aan de start van de werken;

     De volledige wegverbinding tussen de Lintsesteenweg en de Emiel Van Hemeldonckstraat dient integraal te worden aangelegd door de aanvrager en moet volledig conform het ingediende en goedgekeurde plan worden uitgevoerd;

     De aanleg van de volledige weg mag geen financiële, technische of uitvoeringslast met zich meebrengen voor de gemeente Hove. Alle kosten voor aanleg, afwerking en eventuele aanpassingen zijn ten laste van de aanvrager;

     Voor de aansluiting van de trage verbinding op de Emiel Van Hemeldonckstraat dient een gedeelte van de aanleg te gebeuren op een perceel dat deel uitmaakt van het openbaar domein van de gemeente Hove. Ook dit gedeelte moet volledig door de aanvrager worden aangelegd, zodat een uniforme en kwalitatieve inrichting van de volledige weg wordt verzekerd;

     Het onderhoud van de volledige weg, inclusief het gedeelte op het openbaar domein, valt onder het beheer van de eigenaar en/of vereniging van de mede-eigenaars (VME);

     De gemeente Hove neemt bij de aanleg van het gedeelte op het openbaar domein uitsluitend een adviserende rol op en staat niet in voor de uitvoering van de werken;

     Om het gebruik van de weg te beperken tot het toegelaten verkeer en om de veiligheid te waarborgen, moet de doorgang worden afgesloten met breekpaaltjes;

     De breekpaaltjes moeten voldoen aan de technische voorschriften van de brandweer, zodat de bereikbaarheid voor hulpdiensten te allen tijde gegarandeerd blijft;

     De breekpaaltjes moeten aan beide uiteinden van de wandel- en fietsverbinding worden geplaatst en mogen niet in het midden van de weg worden geplaatst.

     In het midden van de weg mogen geen paaltjes, afsluitingen of andere obstakels worden aangebracht die de doorgang voor voetgangers, fietsers of hulpdiensten kunnen hinderen.

     Ter bescherming van de privacy en het wooncomfort van de aanpalende percelen, in het bijzonder ter hoogte van de woningen Emiel Van Hemeldonckstraat 32 en 34, moet langs deze zijde een open draadafsluiting van het type Beckaert worden geplaatst met een hoogte van 2,00 meter.

     Deze afsluiting moet worden geplaatst vanaf de achterste perceelgrens van de betrokken percelen tot aan de voorbouwlijn (voorgevel) van de betrokken woningen, zodat een duidelijke fysieke scheiding ontstaat tussen de nieuwe weg en de private tuinzones.

     De afsluiting moet op een duurzame en degelijke wijze worden geplaatst en in goede staat worden gehouden door de aanvrager en/of de toekomstige vereniging van mede-eigenaars.

     Voorwaarden met betrekking tot het recht van politie op de doorgang:

        De gemeente behoudt het recht van politie over de gerealiseerde doorgang en de bijhorende infrastructuur, zoals voorzien in de beheersovereenkomst, ongeacht het feit dat de doorgang privaat eigendom blijft met een semipubliek karakter.

        Dit recht van politie houdt in dat de gemeente toezicht kan uitoefenen op het gebruik van de doorgang in het kader van de openbare veiligheid, openbare orde en netheid.

     Alle kosten die de vermelde uitrusting van de wegenis betreffen, vallen volledig ten laste van de bouwheer.

        De sloop van de bestaande constructies kunnen pas worden aangevat nadat het IOED Streekvereniging Zuidrand, conform het aangeleverde advies dd. 27 april 2026, een volledige inventaris heeft kunnen maken van de bestaande bebouwde structuren op het terrein;

        De aanvrager dient te voorzien voor de aanleg van de nodige infrastructuur (wachtbuizen) voor laadinfrastructuur aan de fietsenberging (laden van elektrische fietsen). Het plaatsen van de eigenlijke private laadinfrastructuur kan op initiatief van de toekomstige gebruikers/ eigenaars of door de aanvrager;

        De voorwaarden uit het advies van de dienst Milieu Hove dd. 1 juni 2026 dienen strikt te worden nageleefd:

        De volledige groenaanleg dient uitgevoerd te worden overeenkomstig het ingediende beplantingsplan vóór ingebruikname van het project of uiterlijk in het eerstvolgende plantseizoen na voltooiing van de bouwwerken;

        Alle voorziene bomen, hagen, prairiebeplantingen, groenbuffers en andere landschappelijke elementen dienen behouden en onderhouden te worden. Afgestorven of niet-aangeslagen exemplaren moeten binnen het eerstvolgende plantseizoen worden vervangen door exemplaren van dezelfde soort en minimale plantmaat;

        De groenbuffer langs de perceelsgrenzen dient integraal gerealiseerd en duurzaam in stand gehouden te worden als landschappelijke afscherming.

        De wadi, infiltratievoorzieningen en waterdoorlatende verhardingen dienen blijvend functioneel te worden gehouden en mogen niet worden vervangen door niet-waterdoorlatende materialen;

        Het gebruik van invasieve uitheemse plantensoorten is niet toegestaan. Eventuele vervangingen dienen te gebeuren met gelijkwaardige streekeigen of ecologisch waardevolle soorten;

        De groenaanleg dient op een extensieve en natuurvriendelijke wijze te worden beheerd, waarbij het gebruik van pesticiden en herbiciden maximaal wordt vermeden;

        De halfverhardingen, bloemrijke graszones en prairiebeplantingen dienen volgens de principes van ecologisch beheer onderhouden te worden zodat hun biodiversiteitswaarde behouden blijft;

        De uitvoering van de groenaanleg mag geen negatieve impact hebben op de infiltratiecapaciteit van het terrein zoals voorzien in het landschapsplan;

        Eventuele structurele wijzigingen aan het goedgekeurde landschapsplan die betrekking hebben op de groenstructuur, bomenaanplantingen, wadi of groenbuffers dienen vooraf ter goedkeuring aan de vergunningverlenende overheid te worden voorgelegd;

        De aanplanting van de bomen dienen te gebeuren conform artikel 3.133 en 3.134 van het Burgerlijk Wetboek;

        Er dient maximaal gebruik gemaakt te worden van inheemse boom- en plantensoorten;

        De volgende bomen, zoals aangeduid op het landschapsplan, dienen te worden voorzien met een plantmaat van 20/25cm en met een stamhoogte gangbaar voor een hoogstammige boom:

     Que1 - Quercus bimondorum 'Crimson Spire' (aantal: 13)

     Car2 - Carpinus betulus (aantal: 3)

     Pru2 - Prunus sargentii 'Charles Sargent' (aantal: 2)

     Til -  Tilia cordata (aantal: 4)

     Ace - Acer rubrum 'October Glory' (aantal: 1)

     Sal - Salix sepulcralis 'Chrysocoma' (aantal: 1)

     Pru4 - Prunus avium (aantal: 1)

     Aln - Alnus glutinosa 'Imperialis' (aantal: 1)

     Mal - Malus domestica (aantal: 1)

     Ace2 - Acer pseudoplatanus (aantal: 1)

        De eventueel overige hoogstammige bomen, met uitzondering van meerstammige bomen en heesters, dienen te worden voorzien in plantmaat van 14/16cm;

        De bomen dienen een stamhoogte te bezitten die gangbaar is voor een hoogstammige boom;

        De nieuwe bomen dienen ten laatste te worden aangeplant in het eerstvolgende plantseizoen na de eerste ingebruikname van de gebouwen;

        Indien de nieuw aan te planten bomen uitvallen dan dient deze te worden heraangeplant in het eerst daaropvolgende plantseizoen;

        De bomen moeten de kans krijgen om volwaardig uit te groeien

        Bomen met een beperkte kruin of snoeivorm zoals bolbomen, leibomen, enz. worden niet aanvaard als volwaardige aanplant;

        De aanvrager neemt alle voorzorgsmaatregelen om de nieuwe aanplanting te laten slagen. Dit houdt in een met zorg uitgevoerde aanplanting met kwalitatief plantgoed, het gebruik van steunpalen of wortelverankering en zo nodig het aanbrengen van een bescherming tegen vee- en wildvraat.

        Beschermen van bestaande bomen tijdens de werf: Tijdens de uitvoering van de werf dienen alle nodige maatregelen genomen te worden om schade aan bestaande bomen te voorkomen. Het volgende dient strikt opgevolgd te worden:

        Opslag en materiaalbeheer

     Het is verboden om (bouw)materialen, werktuigen, teeltaarde, grond, afval of andere voorwerpen op te slaan binnen de kroonprojectie van de bomen.

     Opslagzones dienen duidelijk afgebakend te worden buiten de beschermde zone van de bomen.

        Wegverkeer en toegang

     Werfverkeer, inclusief voertuigen en machines, mag de kroonprojectie van de bomen niet betreden.

     Indien tijdelijk transport door de buurt van bomen noodzakelijk is, dient een beschermende rijlaag (bijv. rijplaten of grindpad) aangelegd te worden om bodemverdichting te voorkomen.

        Fysieke bescherming van bomen

     De stam kan worden beschermd door wikkeling met jute of boomdoek, eventueel ondersteund met houten latten om insnijding door machines te voorkomen.

     Voor kwetsbare bomen kan een extra bescherming rond de stam en wortelzone worden aangebracht, zoals schuttingen of hekken.

        Afbakening van de kroonprojectie

     De kroonprojectie van elke boom dient duidelijk afgebakend te worden met hekken, linten of markeringen om te voorkomen dat werfactiviteiten de beschermde zone binnendringen.

     Afbakening moet zichtbaar en duurzaam zijn gedurende de hele duur van de werf.

        Verantwoordelijkheden

     De bouwheer en de aannemer zijn verantwoordelijk voor de naleving van deze beschermingsmaatregelen.

     Regelmatige controles dienen uitgevoerd te worden om schade aan stammen, takken of wortels tijdig te detecteren en te voorkomen.

        Aanvullende voorzorgsmaatregelen

     Vermijd zware grondbewerkingen, graafwerken of het aanbrengen van funderingen binnen de wortelzone.

     Bij onverhoopt beschadigde bomen moet onmiddellijk een gespecialiseerde boomverzorger worden geraadpleegd.

        De voorwaarden uit het advies van de dienst Mobiliteit, Openbare werken en veiligheid (MOWV) dd. 24 maart 2026 dienen strikt te worden nageleefd;

        De voorwaarden uit het advies van de Minaraad Hove dd. 10 maart 2026 dienen strikt te worden nageleefd;

        De voorwaarden uit het advies van Aquafin dd. 13 april 2026 dienen strikt te worden nageleefd;

        De voorwaarden uit het advies van de Brandweer Zone Rand dd. 29 januari 2026 dienen strikt te worden nageleefd;

        De voorwaarden uit het advies van Fluvius dd. 19 januari 2026 dienen strikt te worden nageleefd;

        De voorwaarden uit het advies van de Streekvereniging Zuidrand (IOED) dd. 27 april 2026 dienen strikt te worden nageleefd;

        De voorwaarden uit het advies van Proximus dd. 5 februari 2026 dienen strikt te worden nageleefd;

        De voorwaarden uit het advies van IGEAN dd. 13 februari 2026 dienen strikt te worden nageleefd;

        De voorwaarden uit het advies van de Dienst Integraal Waterbeleid, Provincie Antwerpen dd. 5 mei 2026 dienen strikt te worden nageleefd;

        Door een administratieve vergissing werd er geen advies gevraagd aan Wyre. Hoewel dit geen verplicht advies betreft, is het aangewezen om vóór de aanvang van de werken contact op te nemen met deze instantie teneinde na te gaan of eventuele uitbreidingen van de bestaande aansluitingen vereist zijn. De vergunning zal ter kennisgeving aan Wyre worden overgemaakt.

 

Opmerking:

Indien voor de uitvoering van de werken een inname van het openbaar domein (rijweg, fiets- of voetpaden, e.d.) of een parkeerverbod nodig is, dient de aanvrager dit aan te vragen via de website van de gemeente of bij de dienst 'Mobiliteit, openbare werken en veiligheid' (MOWV) van de gemeente.

 

Conclusie college van burgemeester en schepenen

Het college sluit zich aan bij het advies van de gemeentelijke omgevingsambtenaar en maakt dit zich eigen.

 

BESLUIT: 

Artikel 1

Het college van burgemeester en schepenen levert de voorwaardelijke omgevingsvergunning af voor het gedeeltelijk slopen van de bestaande voormalige weverij en verhardingen, herbestemmen van het resterende volume tot praktijkwoning, verbouwen van de bestaande ééngezinswoning (nr. 22) tot 2 woonentiteiten, bouwen van nieuwbouwontwikkeling (laagbouw) met 17 appartementen, een ondergrondse parking, heraanleggen van het terrein met een landschappelijke inrichting waaronder een wadi en fietsenstalling.

 

Voortaan omvat de ingedeelde inrichting of activiteit:

 

 

 

 

Rubriek

Omschrijving

Totale hoeveelheid

16.3.2°a)

20 warmtepompen met een elektrisch vermogen van 3kW per eenheid. Er wordt 4-5 kW thermische vermogen aangehouden (Nieuw)

60 kW

53.2.1°

tijdelijke bemaling bij bouwwerken (Nieuw)

24796 m³

 

 

Artikel 2

Volgende voorwaarden en/of lasten worden opgelegd:

Stedenbouwkundige voorwaarden

        De werken op het terrein mogen slechts worden aangevat nadat de beheersovereenkomst, goedgekeurd door de gemeenteraad op 21 april 2026, door de betrokken partijen (de aanvrager en de gemeente) is ondertekend;

        De voorwaarden uit de beslissing van de gemeenteraad dd. 21 april 2026, betreffende de wegenis, dienen strikt te worden nageleefd:

     Het ondertekenen en naleven van de beheersovereenkomst zoals opgenomen in de bijlage van het gemeenteraadsbesluit en dit voorafgaande aan de start van de werken;

     De volledige wegverbinding tussen de Lintsesteenweg en de Emiel Van Hemeldonckstraat dient integraal te worden aangelegd door de aanvrager en moet volledig conform het ingediende en goedgekeurde plan worden uitgevoerd;

     De aanleg van de volledige weg mag geen financiële, technische of uitvoeringslast met zich meebrengen voor de gemeente Hove. Alle kosten voor aanleg, afwerking en eventuele aanpassingen zijn ten laste van de aanvrager;

     Voor de aansluiting van de trage verbinding op de Emiel Van Hemeldonckstraat dient een gedeelte van de aanleg te gebeuren op een perceel dat deel uitmaakt van het openbaar domein van de gemeente Hove. Ook dit gedeelte moet volledig door de aanvrager worden aangelegd, zodat een uniforme en kwalitatieve inrichting van de volledige weg wordt verzekerd;

     Het onderhoud van de volledige weg, inclusief het gedeelte op het openbaar domein, valt onder het beheer van de eigenaar en/of vereniging van de mede-eigenaars (VME);

     De gemeente Hove neemt bij de aanleg van het gedeelte op het openbaar domein uitsluitend een adviserende rol op en staat niet in voor de uitvoering van de werken;

     Om het gebruik van de weg te beperken tot het toegelaten verkeer en om de veiligheid te waarborgen, moet de doorgang worden afgesloten met breekpaaltjes;

     De breekpaaltjes moeten voldoen aan de technische voorschriften van de brandweer, zodat de bereikbaarheid voor hulpdiensten te allen tijde gegarandeerd blijft;

     De breekpaaltjes moeten aan beide uiteinden van de wandel- en fietsverbinding worden geplaatst en mogen niet in het midden van de weg worden geplaatst.

     In het midden van de weg mogen geen paaltjes, afsluitingen of andere obstakels worden aangebracht die de doorgang voor voetgangers, fietsers of hulpdiensten kunnen hinderen.

     Ter bescherming van de privacy en het wooncomfort van de aanpalende percelen, in het bijzonder ter hoogte van de woningen Emiel Van Hemeldonckstraat 32 en 34, moet langs deze zijde een open draadafsluiting van het type Beckaert worden geplaatst met een hoogte van 2,00 meter.

     Deze afsluiting moet worden geplaatst vanaf de achterste perceelgrens van de betrokken percelen tot aan de voorbouwlijn (voorgevel) van de betrokken woningen, zodat een duidelijke fysieke scheiding ontstaat tussen de nieuwe weg en de private tuinzones.

     De afsluiting moet op een duurzame en degelijke wijze worden geplaatst en in goede staat worden gehouden door de aanvrager en/of de toekomstige vereniging van mede-eigenaars.

     Voorwaarden met betrekking tot het recht van politie op de doorgang:

        De gemeente behoudt het recht van politie over de gerealiseerde doorgang en de bijhorende infrastructuur, zoals voorzien in de beheersovereenkomst, ongeacht het feit dat de doorgang privaat eigendom blijft met een semipubliek karakter.

        Dit recht van politie houdt in dat de gemeente toezicht kan uitoefenen op het gebruik van de doorgang in het kader van de openbare veiligheid, openbare orde en netheid.

     Alle kosten die de vermelde uitrusting van de wegenis betreffen, vallen volledig ten laste van de bouwheer.

        De sloop van de bestaande constructies kunnen pas worden aangevat nadat het IOED Streekvereniging Zuidrand, conform het aangeleverde advies dd. 27 april 2026, een volledige inventaris heeft kunnen maken van de bestaande bebouwde structuren op het terrein;

        De aanvrager dient te voorzien voor de aanleg van de nodige infrastructuur (wachtbuizen) voor laadinfrastructuur aan de fietsenberging (laden van elektrische fietsen). Het plaatsen van de eigenlijke private laadinfrastructuur kan op initiatief van de toekomstige gebruikers/ eigenaars of door de aanvrager;

        De voorwaarden uit het advies van de dienst Milieu Hove dd. 1 juni 2026 dienen strikt te worden nageleefd:

        De volledige groenaanleg dient uitgevoerd te worden overeenkomstig het ingediende beplantingsplan vóór ingebruikname van het project of uiterlijk in het eerstvolgende plantseizoen na voltooiing van de bouwwerken;

        Alle voorziene bomen, hagen, prairiebeplantingen, groenbuffers en andere landschappelijke elementen dienen behouden en onderhouden te worden. Afgestorven of niet-aangeslagen exemplaren moeten binnen het eerstvolgende plantseizoen worden vervangen door exemplaren van dezelfde soort en minimale plantmaat;

        De groenbuffer langs de perceelsgrenzen dient integraal gerealiseerd en duurzaam in stand gehouden te worden als landschappelijke afscherming.

        De wadi, infiltratievoorzieningen en waterdoorlatende verhardingen dienen blijvend functioneel te worden gehouden en mogen niet worden vervangen door niet-waterdoorlatende materialen;

        Het gebruik van invasieve uitheemse plantensoorten is niet toegestaan. Eventuele vervangingen dienen te gebeuren met gelijkwaardige streekeigen of ecologisch waardevolle soorten;

        De groenaanleg dient op een extensieve en natuurvriendelijke wijze te worden beheerd, waarbij het gebruik van pesticiden en herbiciden maximaal wordt vermeden;

        De halfverhardingen, bloemrijke graszones en prairiebeplantingen dienen volgens de principes van ecologisch beheer onderhouden te worden zodat hun biodiversiteitswaarde behouden blijft;

        De uitvoering van de groenaanleg mag geen negatieve impact hebben op de infiltratiecapaciteit van het terrein zoals voorzien in het landschapsplan;

        Eventuele structurele wijzigingen aan het goedgekeurde landschapsplan die betrekking hebben op de groenstructuur, bomenaanplantingen, wadi of groenbuffers dienen vooraf ter goedkeuring aan de vergunningverlenende overheid te worden voorgelegd;

        De aanplanting van de bomen dienen te gebeuren conform artikel 3.133 en 3.134 van het Burgerlijk Wetboek;

        Er dient maximaal gebruik gemaakt te worden van inheemse boom- en plantensoorten;

        De volgende bomen, zoals aangeduid op het landschapsplan, dienen te worden voorzien met een plantmaat van 20/25cm en met een stamhoogte gangbaar voor een hoogstammige boom:

     Que1 - Quercus bimondorum 'Crimson Spire' (aantal: 13)

     Car2 - Carpinus betulus (aantal: 3)

     Pru2 - Prunus sargentii 'Charles Sargent' (aantal: 2)

     Til -  Tilia cordata (aantal: 4)

     Ace - Acer rubrum 'October Glory' (aantal: 1)

     Sal - Salix sepulcralis 'Chrysocoma' (aantal: 1)

     Pru4 - Prunus avium (aantal: 1)

     Aln - Alnus glutinosa 'Imperialis' (aantal: 1)

     Mal - Malus domestica (aantal: 1)

     Ace2 - Acer pseudoplatanus (aantal: 1)

        De eventueel overige hoogstammige bomen, met uitzondering van meerstammige bomen en heesters, dienen te worden voorzien in plantmaat van 14/16cm;

        De bomen dienen een stamhoogte te bezitten die gangbaar is voor een hoogstammige boom;

        De nieuwe bomen dienen ten laatste te worden aangeplant in het eerstvolgende plantseizoen na de eerste ingebruikname van de gebouwen;

        Indien de nieuw aan te planten bomen uitvallen dan dient deze te worden heraangeplant in het eerst daaropvolgende plantseizoen;

        De bomen moeten de kans krijgen om volwaardig uit te groeien

        Bomen met een beperkte kruin of snoeivorm zoals bolbomen, leibomen, enz. worden niet aanvaard als volwaardige aanplant;

        De aanvrager neemt alle voorzorgsmaatregelen om de nieuwe aanplanting te laten slagen. Dit houdt in een met zorg uitgevoerde aanplanting met kwalitatief plantgoed, het gebruik van steunpalen of wortelverankering en zo nodig het aanbrengen van een bescherming tegen vee- en wildvraat.

        Beschermen van bestaande bomen tijdens de werf: Tijdens de uitvoering van de werf dienen alle nodige maatregelen genomen te worden om schade aan bestaande bomen te voorkomen. Het volgende dient strikt opgevolgd te worden:

        Opslag en materiaalbeheer

     Het is verboden om (bouw)materialen, werktuigen, teeltaarde, grond, afval of andere voorwerpen op te slaan binnen de kroonprojectie van de bomen.

     Opslagzones dienen duidelijk afgebakend te worden buiten de beschermde zone van de bomen.

        Wegverkeer en toegang

     Werfverkeer, inclusief voertuigen en machines, mag de kroonprojectie van de bomen niet betreden.

     Indien tijdelijk transport door de buurt van bomen noodzakelijk is, dient een beschermende rijlaag (bijv. rijplaten of grindpad) aangelegd te worden om bodemverdichting te voorkomen.

        Fysieke bescherming van bomen

     De stam kan worden beschermd door wikkeling met jute of boomdoek, eventueel ondersteund met houten latten om insnijding door machines te voorkomen.

     Voor kwetsbare bomen kan een extra bescherming rond de stam en wortelzone worden aangebracht, zoals schuttingen of hekken.

        Afbakening van de kroonprojectie

     De kroonprojectie van elke boom dient duidelijk afgebakend te worden met hekken, linten of markeringen om te voorkomen dat werfactiviteiten de beschermde zone binnendringen.

     Afbakening moet zichtbaar en duurzaam zijn gedurende de hele duur van de werf.

        Verantwoordelijkheden

     De bouwheer en de aannemer zijn verantwoordelijk voor de naleving van deze beschermingsmaatregelen.

     Regelmatige controles dienen uitgevoerd te worden om schade aan stammen, takken of wortels tijdig te detecteren en te voorkomen.

        Aanvullende voorzorgsmaatregelen

     Vermijd zware grondbewerkingen, graafwerken of het aanbrengen van funderingen binnen de wortelzone.

     Bij onverhoopt beschadigde bomen moet onmiddellijk een gespecialiseerde boomverzorger worden geraadpleegd.

        De voorwaarden uit het advies van de dienst Mobiliteit, Openbare werken en veiligheid (MOWV) dd. 24 maart 2026 dienen strikt te worden nageleefd;

        De voorwaarden uit het advies van de Minaraad Hove dd. 10 maart 2026 dienen strikt te worden nageleefd;

        De voorwaarden uit het advies van Aquafin dd. 13 april 2026 dienen strikt te worden nageleefd;

        De voorwaarden uit het advies van de Brandweer Zone Rand dd. 29 januari 2026 dienen strikt te worden nageleefd;

        De voorwaarden uit het advies van Fluvius dd. 19 januari 2026 dienen strikt te worden nageleefd;

        De voorwaarden uit het advies van de Streekvereniging Zuidrand (IOED) dd. 27 april 2026 dienen strikt te worden nageleefd;

        De voorwaarden uit het advies van Proximus dd. 5 februari 2026 dienen strikt te worden nageleefd;

        De voorwaarden uit het advies van IGEAN dd. 13 februari 2026 dienen strikt te worden nageleefd;

        De voorwaarden uit het advies van de Dienst Integraal Waterbeleid, Provincie Antwerpen dd. 5 mei 2026 dienen strikt te worden nageleefd;

        Door een administratieve vergissing werd er geen advies gevraagd aan Wyre. Hoewel dit geen verplicht advies betreft, is het aangewezen om vóór de aanvang van de werken contact op te nemen met deze instantie teneinde na te gaan of eventuele uitbreidingen van de bestaande aansluitingen vereist zijn. De vergunning zal ter kennisgeving aan Wyre worden overgemaakt.

 

Opmerking:

Indien voor de uitvoering van de werken een inname van het openbaar domein (rijweg, fiets- of voetpaden, e.d.) of een parkeerverbod nodig is, dient de aanvrager dit aan te vragen via de website van de gemeente of bij de dienst 'Mobiliteit, openbare werken en veiligheid' (MOWV) van de gemeente. 

 

Algemene voorwaarden

  1. binnen een termijn van tien dagen te rekenen vanaf de datum van de ontvangst van de beslissing van het college van burgemeester en schepenen de 'bekendmaking' gedurende een periode van dertig dagen aan te plakken op de plaats waarop deze vergunning betrekking heeft, duidelijk zichtbaar en leesbaar vanaf de openbare weg; indien het niet mogelijk is op de plaats zelf de bekendmaking duidelijk zichtbaar en leesbaar uit te hangen, moet ze worden uitgehangen op een goed zichtbare plaats in de onmiddellijke omgeving van de plaats waarop de vergunning betrekking heeft; de gele affiche 'bekendmaking beslissing' wordt aangetekend verzonden
  2. onmiddellijk na aanplakking van de bekendmaking dient u de datum van aanplakking in te voeren in het omgevingsloket.  De dag na de aanplakking start de beroepstermijn;
  3. van een omgevingsvergunning mag pas gebruik gemaakt worden als u niet binnen de vijfendertig dagen, te rekenen vanaf de dag na de eerste dag van de aanplakking op de hoogte werd gebracht dat er een beroep werd aangetekend tegen de beslissing;
  4. pas na de laatste dag van aanplakking kan u 'de start van de werken' ingeven in het omgevingsloket;
  5. alvorens de bouwwerken aan te vatten een waarborgsom van 400 EUR te storten in de gemeentekas door overschrijving op rekening nr. BE17 0910 0009 6221 met vermelding van het nummer van uw vergunning ; bij niet-betaling van deze waarborg zullen de herstellingskosten van eventuele schade, vastgesteld na het beëindigen van de werken, verhaald worden op de bouwheer;
  6. minstens 14 dagen voor de start van de werken ons via omgeving@hove.be op de hoogte te brengen zodat de voorgeschreven bouwlijn kan worden uitgezet. U dient een dwg-versie van de vergunde plannen aan te leveren.;
  7. de uitvoeringsvoorwaarden gesteld in de bijlage nr.1 en 2 aan dit besluit stipt na te leven;
  8. de afvoer van het hemelwater afkomstig van het dak (en/of verharde oppervlakte) wordt in overeenstemming gebracht met de gewestelijke verordening op het afkoppelen van dakoppervlaktes (en/of verharde oppervlaktes);
  9. de normbepalingen van hoofdstuk 3 van de gewestelijke stedenbouwkundige verordening betreffende toegankelijkheid worden nageleefd;
  10.                                                                                                                                                                                                                                                                                            het decreet van 1 juni 2012 houdende de beveiliging van woningen door optische rookmelders wordt nageleefd;
  11.                                                                                                                                                                                                                                                                                            de voorwaarden gesteld in het advies van de instantie van datum (als bijlage) worden stipt nageleefd;
  12.                                                                                                                                                                                                                                                                                            de groenvoorzieningen opgetekend op het inplantingsplan worden aangelegd met streekeigen bomen en/of beplanting en dit ten laatste het eerste plantseizoen volgend op de uitvoering van de vergunde werken;
  13.                                                                                                                                                                                                                                                                                            de bekrachtigde archeologienota na te leven, of als de ingreep in de bodem van deze vergunde werken afwijkt van de ingreep in de bodem van de werken, omschreven in de bekrachtigde archeologienota, geldt de bekrachtigde archeologienota niet als toelating voor de maatregelen die erin omschreven zijn. In dat geval moet u de procedure overeenkomstig artikel 5.4.16 tot en met artikel 5.4.21 van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013 naleven;
  14.                                                                                                                                                                                                                                                                                            De bouwpromotor of initiatiefnemer heeft de verplichting om de geldende reglementering, uitgevaardigd door de distributienetbeheerder IVEKA voor elektriciteit en voor aardgas, inzake de distributie van elektriciteit en gas naar en in appartementsgebouwen strikt na te leven; deze teksten zijn raadpleegbaar op de website van de distributienetbeheerder via https://www.fluvius.be/sites/fluvius/files/2019-02/Studie-en-offerteaanvraag-voor-projecten.pdf;
  15.                                                                                                                                                                                                                                                                                            er op toe te zien dat een gescheiden rioleringssysteem wordt aangelegd in functie van de latere aanleg van een/het gescheiden rioleringssysteem op het openbaar domein.
  16.                                                                                                                                                                                                                                                                                            juridisch gezien loopt het broedseizoen in Vlaanderen van 15 maart tot 15 juli. In deze periode is het verboden om opzettelijk vogels, hun eieren en hun nesten te verstoren en/of te vernielen. Daarom is het tijdens deze periode verboden om bomen of struiken te snoeien of kappen.
  17.                                                                                                                                                                                                                                                                                            de voorwaarden, opgelegd in het advies van Dienst Integraal Waterbeleid provincie Antwerpen dd. 5 mei 2026
  18.                                                                                                                                                                                                                                                                                            de voorwaarden, opgelegd in het advies van Advies Aquafin dd. 13 april 2026
  19.                                                                                                                                                                                                                                                                                            de voorwaarden, opgelegd in het advies van Dienst Integraal Waterbeleid provincie Antwerpen dd. 24 maart 2026
  20.                                                                                                                                                                                                                                                                                            de voorwaarden, opgelegd in het advies van Igean dd. 13 februari 2026
  21.                                                                                                                                                                                                                                                                                            de voorwaarden, opgelegd in het advies van Brandweer Zone Rand dd. 29 januari 2026
  22.                                                                                                                                                                                                                                                                                            de voorwaarden, opgelegd in het advies van Proximus dd. 5 februari 2026
  23.                                                                                                                                                                                                                                                                                            de voorwaarden, opgelegd in het advies van Advies Aquafin dd. 20 februari 2026
  24.                                                                                                                                                                                                                                                                                            de voorwaarden, opgelegd in het advies van Fluvius dd. 19 januari 2026
  25.                                                                                                                                                                                                                                                                                            de voorwaarden, opgelegd in het advies van Projectvereniging Streekvereniging Zuidrand dd. 27 april 2026
  26.                                                                                                                                                                                                                                                                                            de voorwaarden, opgelegd in het advies van Agentschap Onroerend Erfgoed dd. 15 januari 2026
  27.                                                                                                                                                                                                                                                                                            de voorwaarden, opgelegd in het advies van Agentschap Natuur en Bos Antwerpen dd. 15 januari 2026

 

Deze beslissing stelt de aanvrager niet vrij van het aanvragen en verkrijgen van eventuele andere vergunningen of machtigingen, als die nodig zouden zijn.

 

 

Verval van de omgevingsvergunning – uittreksel uit het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning

Artikel 99. § 1. De omgevingsvergunning vervalt van rechtswege in elk van de volgende gevallen:

1° als de verwezenlijking van de vergunde stedenbouwkundige handelingen niet wordt gestart binnen de twee jaar na het verlenen van de definitieve omgevingsvergunning;

2° als het uitvoeren van de vergunde stedenbouwkundige handelingen meer dan drie opeenvolgende jaren wordt onderbroken;

3° als de vergunde gebouwen niet winddicht zijn binnen drie jaar na de aanvang van de vergunde stedenbouwkundige handelingen;

4° als de exploitatie van de vergunde activiteit of inrichting niet binnen vijf jaar na het verlenen van de definitieve omgevingsvergunning aanvangt.

 

Als de omgevingsvergunning uitdrukkelijk melding maakt van de verschillende fasen van het bouwproject, worden de termijnen van twee of drie jaar, vermeld in het eerste lid, gerekend per fase. Voor de tweede fase en de volgende fasen worden de termijnen van verval bijgevolg gerekend vanaf de aanvangsdatum van de fase in kwestie.

 

§ 2. De omgevingsvergunning voor de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit vervalt van rechtswege in elk van de volgende gevallen:

1° als de exploitatie van de vergunde activiteit of inrichting meer dan vijf opeenvolgende jaren wordt onderbroken;

2° als de ingedeelde inrichting vernield is wegens brand of ontploffing veroorzaakt ten gevolge van de exploitatie;

3° als de exploitatie op vrijwillige basis volledig en definitief wordt stopgezet overeenkomstig de voorwaarden en de regels, vermeld in het decreet van 9 maart 2001 tot regeling van de vrijwillige, volledige en definitieve stopzetting van de productie van alle dierlijke mest, afkomstig van een of meerdere diersoorten, en de uitvoeringsbesluiten ervan. De Vlaamse Regering kan nadere regels bepalen voor de inkennisstelling van de stopzetting.

 

§ 3. Als de gevallen, vermeld in paragraaf 1, betrekking hebben op een gedeelte van het bouwproject, vervalt de omgevingsvergunning alleen voor het niet-afgewerkte gedeelte van een bouwproject. Een gedeelte is eerst afgewerkt als het, in voorkomend geval na de sloping van de niet-afgewerkte gedeelten, kan worden beschouwd als een afzonderlijke constructie die voldoet aan de bouwfysische vereisten.

 

Als de gevallen, vermeld in paragraaf 1 of 2, alleen betrekking hebben op een gedeelte van de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit, vervalt de omgevingsvergunning alleen voor dat gedeelte.

 

Artikel 100. De omgevingsvergunning blijft onverkort geldig als de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit van een project door een wijziging van de indelingslijst van klasse 1 naar klasse 2 overgaat of omgekeerd.

 

In geval de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit van een project door een wijziging van de indelingslijst van klasse 1 of 2 naar klasse 3 overgaat, geldt de vergunning als aktename en blijven de bijzondere voorwaarden gelden.

 

Artikel 101. De termijnen van twee, drie of vijf jaar, vermeld in artikel 99, worden geschorst zolang een beroep tot vernietiging van de omgevingsvergunning aanhangig is bij de Raad voor Vergunningsbetwistingen, overeenkomstig hoofdstuk 9 behoudens indien de vergunde handelingen in strijd zijn met een vóór de definitieve uitspraak van de Raad van kracht geworden ruimtelijk uitvoeringsplan. In dat laatste geval blijft het eventuele recht op planschadevergoeding desalniettemin behouden.



 

De termijnen van twee of drie jaar, vermeld in artikel 99, worden geschorst tijdens het uitvoeren van de archeologische opgraving, omschreven in de bekrachtigde archeologienota overeenkomstig artikel 5.4.8 van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013 en in de bekrachtigde nota overeenkomstig artikel 5.4.16 van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013, met een maximumtermijn van een jaar vanaf de aanvangsdatum van de archeologische opgraving.



 

De termijnen van twee of drie jaar, vermeld in artikel 99, worden geschorst tijdens het uitvoeren van de bodemsaneringswerken van een bodemsaneringsproject waarvoor de OVAM overeenkomstig artikel 50, § 1, van het Bodemdecreet van 27 oktober 2006 een conformiteitsattest heeft afgeleverd, met een maximumtermijn van drie jaar vanaf de aanvangsdatum van de bodemsaneringswerken.



 

De termijnen van twee of drie jaar, vermeld in artikel 99, worden geschorst zolang een bekrachtigd stakingsbevel, zoals vermeld in titel VI, niet wordt ingetrokken, hetzij niet wordt opgeheven bij een in kracht van gewijsde gegane beslissing. De schorsing eindigt van rechtswege wanneer geen opheffing van het stakingsbevel wordt gevorderd of geen intrekking wordt gedaan binnen een termijn van twee jaar vanaf de bekrachtiging van het stakingsbevel.

 

Beroepsmogelijkheden – uittreksel uit het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning

Artikel 52. De Vlaamse Regering is bevoegd in laatste administratieve aanleg voor beroepen tegen uitdrukkelijke of stilzwijgende beslissingen van de deputatie in eerste administratieve aanleg.

 

De deputatie is voor haar ambtsgebied bevoegd in laatste administratieve aanleg voor beroepen tegen uitdrukkelijke of stilzwijgende beslissingen van het college van burgemeester en schepenen in eerste administratieve aanleg.

 

Artikel 53. Het beroep kan worden ingesteld door:


1° de vergunningsaanvrager, de vergunninghouder of de exploitant;

2° het betrokken publiek;

3° de leidend ambtenaar van de adviesinstanties of bij zijn afwezigheid zijn gemachtigde als de adviesinstantie tijdig advies heeft verstrekt of als aan hem ten onrechte niet om advies werd verzocht;


4° het college van burgemeester en schepenen als het tijdig advies heeft verstrekt of als het ten onrechte niet om advies werd verzocht;


5° de leidend ambtenaar van het Departement Leefmilieu, Natuur en Energie of bij zijn afwezigheid zijn gemachtigde;


6° de leidend ambtenaar van het Departement Ruimtelijke Ordening, Woonbeleid en Onroerend Erfgoed of bij zijn afwezigheid zijn gemachtigde.

 

Artikel 54. Het beroep wordt op straffe van onontvankelijkheid ingesteld binnen een termijn van dertig dagen die ingaat:


1° de dag na de datum van de betekening van de bestreden beslissing voor die personen of instanties aan wie de beslissing betekend wordt;


2° de dag na het verstrijken van de beslissingstermijn als de omgevingsvergunning in eerste administratieve aanleg stilzwijgend geweigerd wordt;


3° de dag na de eerste dag van de aanplakking van de bestreden beslissing in de overige gevallen.

 

Artikel 55. Het beroep schorst de uitvoering van de bestreden beslissing tot de dag na de datum van de betekening van de beslissing in laatste administratieve aanleg.

 

In afwijking van het eerste lid werkt het beroep niet schorsend ten aanzien van:

1° de vergunning voor de verdere exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit waarvoor ten minste twaalf maanden voor de einddatum van de omgevingsvergunning een vergunningsaanvraag is ingediend;

2° de vergunning voor de exploitatie na een proefperiode als vermeld in artikel 69;

3° de vergunning voor de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit die vergunningsplichtig is geworden door aanvulling of wijziging van de indelingslijst.

 

Artikel 56. Het beroep wordt op straffe van onontvankelijkheid per beveiligde zending ingesteld bij de bevoegde overheid, vermeld in artikel 52.

 

Degene die het beroep instelt, bezorgt op straffe van onontvankelijkheid gelijktijdig en per beveiligde zending een afschrift van het beroepschrift aan:

1° de vergunningsaanvrager behalve als hij zelf het beroep instelt;

2° de deputatie als die in eerste administratieve aanleg de beslissing heeft genomen;

3° het college van burgemeester en schepenen behalve als het zelf het beroep instelt.

 

De Vlaamse Regering bepaalt de bewijsstukken die bij het beroep moeten worden gevoegd opdat het op ontvankelijke wijze wordt ingesteld.

 

Artikel 57. De bevoegde overheid, vermeld in artikel 52, of de door haar gemachtigde ambtenaar onderzoekt het beroep op zijn ontvankelijkheid en volledigheid.

 

Als niet alle stukken als vermeld in artikel 56, derde lid, bij het beroep zijn gevoegd, kan de bevoegde overheid of de door haar gemachtigde ambtenaar de beroepsindiener per beveiligde zending vragen om binnen een termijn van veertien dagen die ingaat de dag na de verzending van het vervolledigingsverzoek, de ontbrekende gegevens of documenten aan het beroep toe te voegen.

 

Als de beroepsindiener nalaat de ontbrekende gegevens of documenten binnen de termijn, vermeld in het tweede lid, aan het beroep toe te voegen, wordt het beroep als onvolledig beschouwd.

 

Beroepsmogelijkheden – regeling van het besluit van de Vlaamse Regering decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning

Het beroepschrift bevat op straffe van onontvankelijkheid:

1° de naam, de hoedanigheid en het adres van de beroepsindiener;

2° de identificatie van de bestreden beslissing en van het onroerend goed, de inrichting of exploitatie die het voorwerp uitmaakt van die beslissing;

3° als het beroep wordt ingesteld door een lid van het betrokken publiek:

een omschrijving van de gevolgen die hij ingevolge de bestreden beslissing ondervindt of waarschijnlijk ondervindt;

b) het belang dat hij heeft bij de besluitvorming over de afgifte of bijstelling van een omgevingsvergunning of van vergunningsvoorwaarden;

4° de redenen waarom het beroep wordt ingesteld.

 

Het beroepsdossier bevat de volgende bewijsstukken:

1° in voorkomend geval, een bewijs van betaling van de dossiertaks;

2° de overtuigingsstukken die de beroepsindiener nodig acht;

3° in voorkomend geval, een inventaris van de overtuigingsstukken, vermeld in punt 2°.

 

Als de bewijsstukken, vermeld in het tweede lid, ontbreken, kan hieraan verholpen worden overeenkomstig artikel 57, tweede lid, van het decreet van 25 april 2014.

 

Het beroepsdossier wordt ingediend met een analoge of een digitale zending.

 

Het bevoegde bestuur kan bij de beroepsindiener, de vergunningsaanvrager of de overheid die in eerste administratieve aanleg bevoegd is, alle beschikbare informatie en documenten opvragen die nuttig zijn voor het dossier.

 

De beroepsindiener geeft, op straffe van verval, uitdrukkelijk in zijn beroepschrift aan of hij gehoord wil worden.

 

Als de vergunningsaanvrager gehoord wil worden, brengt hij het bevoegde bestuur daarvan uitdrukkelijk op de hoogte met een beveiligde zending uiterlijk vijftien dagen nadat hij een afschrift van het beroepschrift als vermeld in artikel 56 van het decreet van 25 april 2014, heeft ontvangen, op voorwaarde dat hij niet de beroepsindiener is.

 

Mededeling

Deze gegevens kunnen worden opgeslagen in een of meer bestanden. Die bestanden kunnen zich bevinden bij de gemeente, waar u de aanvraag hebt ingediend, bij de provincie, en ook bij de Vlaamse administratie, bevoegd voor de omgevingsvergunning. Ze worden gebruikt voor de behandeling van uw dossier. Ze kunnen ook gebruikt worden voor het opmaken van statistieken en voor wetenschappelijke doeleinden. U hebt het recht om uw gegevens in deze bestanden in te kijken en zo nodig de verbetering ervan aan te vragen.

 

Disclaimer

Register der bekendmakingen

Deze webpagina vormt het openbare register van gemeentelijke reglementen en verordeningen, in overeenstemming met het besluit van de Vlaamse regering van 28 april 2023 betreffende de bekendmakingen en raadpleegbaarheid van besluiten en documenten van het lokale bestuur met betrekking tot de manier waarop ze moeten worden bijgehouden.

Wanneer een publicatie wordt uitgevoerd, zal er een expliciete "bundel" van het document worden opgeslagen. Op dat moment is het document inhoudelijk niet meer aanpasbaar door de gebruiker.

Deze "bundel" bestaat uit:

Al deze gegevens staan in een aparte publicatie omgeving die beveiligd en toegankelijk is voor een beperkt aantal personen.