BESLUIT ZONDER VISUM VAN HET COLLEGE VAN BURGEMEESTER EN SCHEPENEN
Zitting van maandag 8 juni 2026
Aanwezig: Thierry Lens (burgemeester);Bart Van Couwenberghe, Dave Van den Bergh, Lenn De Cleene, Sofie Lemmens (Schepenen);Anke Dehuisser (algemeen directeur); |
OMV 2026/5 - Diepestraat 11 - vergunning
Het college van burgemeester en schepenen, in geheime zitting,
Juridische achtergrond
Artikel 56, §2, 7° van het Decreet over het Lokaal Bestuur bepaalt dat het college van burgemeester en schepenen bevoegd is over de beslissingen die een wet, een decreet of een uitvoeringsbesluit uitdrukkelijk aan het college van burgemeester en schepenen voorbehoudt;
Besluit van de Vlaamse Regering van 23 mei 2003 tot bepaling van de handelingen die vrijgesteld zijn van de medewerking van de architect.
Artikel 8 van het decreet van 18 juli 2003 betreffende het integraal waterbeleid, gecoördineerd op 15 juni 2018, verplicht elke vergunningverlenende overheid ertoe om de potentieel schadelijke effecten van de voorgenomen werken op het watersysteem te onderzoeken.
Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening gecoördineerd bij besluit van de Vlaamse regering van 15 mei 2009 (BS 20 augustus 2009), en latere wijzigingen, hierna genoemd de VCRO en latere wijzigingsdecreten.
Besluit van de Vlaamse Regering van 16 juli 2010 betreffende de meldingsplichtige handelingen ter uitvoering van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening en latere wijzigingen;
Besluit van de Vlaamse Regering tot vaststelling van een gewestelijke stedenbouwkundige verordening inzake hemelwater, tot wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 16 juli 2010 tot bepaling van stedenbouwkundige handelingen waarvoor geen omgevingsvergunning nodig is en tot opheffing van het besluit van de Vlaamse Regering van 5 juli 2013 houdende vaststelling van een gewestelijke stedenbouwkundige verordening inzake hemelwaterputten, infiltratievoorzieningen, buffervoorzieningen en gescheiden lozing van afvalwater en hemelwater.
Decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning en latere wijzigingen;
Besluit van de Vlaamse Regering van 27 november 2015 betreffende de omgevingsvergunning en latere wijzigingen;
Decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid (DABM) + bijlagen en latere wijzigingen;
Besluit van de Vlaamse Regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne (VLAREM II) en latere wijzigingen;
Besluit van de Vlaamse Regering van 16 mei 2014 houdende bijkomende algemene milieuvoorwaarden (VLAREM III) voor GPBV-installaties en latere wijzigingen;
Besluit van de gemeenteraad van 25 juni 2012 betreft de verordening rond het kappen van bomen.
Besluit van de gemeenteraad van 16 december 2025 tot vaststelling van een retributiereglement voor meldingen en aanvragen van omgevingsvergunningen;
Feiten en context
De aanvraag ingediend door de heer en mevrouw Janssens - Debruyne wonende Diepestraat 11 te 2540 Hove, werd per beveiligde zending verzonden op 12 januari 2026. Deze aanvraag werd ontvangen op 12 januari 2026 en vervolledigd op 24 februari 2026.
De aanvraag werd ontvankelijk en volledig verklaard op 6 maart 2026.
De aanvraag heeft betrekking op een terrein, gelegen Diepestraat 11, kadastraal bekend: afdeling 1 sectie B nr. 97C2.
Het betreft een aanvraag tot het bouwen van een tuinberging en aanleggen van verharding.
De aanvraag omvat:
● stedenbouwkundige handelingen
Het college van burgemeester en schepenen heeft deze aanvraag onderzocht, rekening houdend met de terzake geldende wettelijke bepalingen, in het bijzonder met het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning, het decreet houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid, de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening en hun uitvoeringsbesluiten.
Historiek
● Op 05/10/2015 werd een stedenbouwkundige vergunning (2015/53) voor verbouwen woning afgeleverd door het college van burgemeester en schepenen.
● Op 29/03/2010 werd een stedenbouwkundige vergunning (2010/9) voor aanleggen van een openluchtzwembad afgeleverd door het college van burgemeester en schepenen.
● Op 16/11/2009 werd een stedenbouwkundige vergunning (2009/86) voor plaatsen van zonnepanelen op het dak afgeleverd door het college van burgemeester en schepenen.
● Op 22/01/2007 werd een stedenbouwkundige vergunning (2006/97) voor plaatsen van een houten tuinhuisje afgeleverd door het college van burgemeester en schepenen.
● Op 09/01/2006 werd een stedenbouwkundige vergunning (2005/113) voor bouwen van een woning met garage afgeleverd door het college van burgemeester en schepenen.
● Op 14/02/2005 werd een stedenbouwkundige vergunning (2005/7) voor bouwen van een woning met garage afgeleverd door het college van burgemeester en schepenen.
● Op 16/04/2001 werd een verkavelingsvergunning (2000/1) nieuwe verkaveling afgeleverd door het college van burgemeester en schepenen.
Onderzoek naar de relevante vergunningshistoriek
Op datum van 22 januari 2007 werd een stedenbouwkundige vergunning verleend voor het plaatsen van een houten tuinhuisje (ref. 2006/97).
Op de locatie van het bestaande bijgebouw werd een tuinhuis vergund met een oppervlakte van 16m². Het afdak dat zich vandaag achter het tuinhuis bevindt, werd niet in de vergunning opgenomen. Op basis van de foto's bij de vergunning voor het zwembad, cf. infra, werd het afdak na 2010 geplaatst. Dit kan niet met zekerheid worden vastgesteld.
Op datum van 29 maart 2010 werd een stedenbouwkundige vergunning verleend voor het aanleggen van een openluchtzwembad (ref. 2010/9).
Het zwembad had een breedte van 4m en een bouwdiepte van 9m. De totale footprint bedroeg 36m². Vandaag heeft het zwembad een oppervlakte van 45m² inclusief boordsteen. De bestaande boordsteen werd dan ook niet mee vergund. De totale oppervlakte aan niet-overdekte constructies bedraagt vandaag meer dan 80m² waardoor deze boordsteen niet onder het vrijstellingsbesluit valt.
Adviezen
Gemeentelijk omgevingsambtenaar dd. 28 mei 2026: voorwaardelijk gunstig
Argumentatie
Projectinhoudversie: PIV2
Beschrijving van de aanvraag
Omschrijving van aanvraag
De aanvraag heeft betrekking op het herbouwen van een bestaande vrijstaande tuinberging. Het bestaande bijgebouw wordt in functie van de aanvraag gesloopt. Daarnaast wordt een deel van de bestaande terrasverharding onthard.
De nieuwe tuinberging heeft een breedte van 7,80 m en een bouwdiepte van 5,90 m. De totale
footprint, inclusief overkraging, bedraagt 46,02 m². Exclusief dakoversteken bedraagt de grondoppervlakte 36,98 m². De dakrandhoogte van het nieuwe bijgebouw bedraagt 3,04 m. De gevels worden deels afgewerkt met houten lamellen en deels met wit pleisterwerk. Op het platte dak worden zonnepanelen voorzien.
Het bijgebouw wordt ingeplant op 1,00 m van de linker perceelsgrens. De afstand tot de rechter perceelsgrens bedraagt, inclusief overkraging, 1,20 m. De afstand tot de achterste perceelsgrens bedraagt eveneens 1,00 m, inclusief overkraging. De afstand tussen het bijgebouw, inclusief overkraging, en de boordsteen van het zwembad bedraagt 2,36 m.
Daarnaast wordt de bestaande terrasverharding met 20 cm uitgebreid in de richting van de tuinzone van het linksaanpalende perceel.
Beschrijving van het perceel
De aanvraag situeert zich op het perceel gelegen te Diepestraat 11. Op het perceel bevindt zich in de bestaande toestand een gekoppelde eengezinswoning. In de achtertuin bevinden zich een terras, een zwembad, bijkomende terrasverharding ter hoogte van het zwembad en een vrijstaand bijgebouw. Dit bijgebouw zal worden gesloopt. Daarnaast wordt ook een deel van de verharding opgebroken. Het slopen van het bijgebouw en het opbreken van de verhardingen zijn geen vergunningsplichtige handelingen.
Beschrijving van de omgeving
Het perceel bevindt zich binnen een residentiële woonwijk aan de rand van de kern van Hove. De omgeving wordt gekenmerkt door een uitgesproken groen en rustig woonkarakter. De bebouwing bestaat uit een mix van gesloten, halfopen en open bebouwing.
Binnen de achtertuinzones komen diverse ondergeschikte constructies voor, zoals bijgebouwen, zwembaden en tuinverhardingen. Ondanks deze inrichting behouden de tuinzones in het algemeen een overwegend groen karakter en dragen zij bij aan de kwalitatieve woon- en leefomgeving van de wijk.
Het perceel grenst langsheen de rechtse perceelsgrens aan een voetweg die Diepestraat verbindt met Lijsterbesweg.
Stedenbouwkundige basisgegevens
Het gevraagde is volgens het gewestplan Antwerpen, goedgekeurd op 3 oktober 1979, gelegen in woongebied. Het perceel bevindt zich binnen de zone van het BPA Veldkant deel I dd. 21/12/1994. Dit BPA verfijnt het gewestplan. De aanvraag is gelegen binnen de zone voor binnenplaatsen en tuinen bij de zone voor gemengde bebouwing. Daarnaast is het perceel gelegen binnen de contour van verkaveling Veldkant deel 1 dd. 16/04/2001 nummer 2000/1. Het betreft lot 75 van deze verkaveling.
Tot slot is het perceel volgens het Gewestelijk RUP ‘Afbakening grootstedelijk gebied Antwerpen’, goedgekeurd op 19 juni 2009, gelegen binnen de afbakeningslijn grootstedelijk gebied Antwerpen.
Toetsing van de aanvraag aan de geldende plannen.
De aanvraag wordt getoetst aan de stedenbouwkundige voorschriften van het BPA Veldkant deel I dd. 21/12/1994 en aan de verkavelingsvoorschriften van de verkaveling Veldkant deel 1 dd. 16/04/2001 nummer 2000/1. Het GRUP omvat geen concrete inrichtingsvoorschriften waar de aanvraag aan wordt getoetst.
BPA Veldkant deel I dd. 21/12/1994
De aanvraag is strijdig met de stedenbouwkundige voorschriften van het BPA voor wat betreft.
1. oppervlakte (max. 25m²)
2. inplanting (op de perceelsgrens of 3 meter afstand)
3. bouwhoogte (maximum 3 meter gemeten van grondpeil)
4. materiaal (enkel baksteen opgenomen in voorschriften)
Verkaveling Veldkant deel 1 dd. 16/04/2001 nummer 2000/1
De aanvraag is strijdig met de verkavelingsvoorschriften voor wat betreft.
1. oppervlakte (maximum 25m²)
2. inplanting (op de perceelsgrens of 3 meter afstand)
3. bouwhoogte (maximum 3 meter gemeten van grondpeil)
3. materiaal (hout werd niet opgenomen in de materialen, het betreft hier ook geen 'houten tuinhuisje')
Onderzoek naar de afwijkingsmogelijkheden
De VCRO stelt in art. 4.4.9/1 dat een vergunningverlenende overheid bij BPA's ouder dan 15 jaar die een aanvulling vormen op de woongebied mag afwijken van de stedenbouwkundige voorschriften. Bij toepassing van deze afwijkingsmogelijkheid dient de aanvraag te worden onderworpen aan een openbaar onderzoek en wordt de aanvraag getoetst aan de goede ruimtelijke ordening.
Het BPA is ouder dan 15 jaar en vormt een aanvulling op de gewestplanbestemming woongebied. Binnen de procedure werd een openbaar onderzoek georganiseerd. De aanvraag wordt verder onderzocht naar overeenstemming met de goede ruimtelijke ordening.
De VCRO stelt in art. 4.3.1. dat de verkavelingsvoorschriften ouder dan 15 jaar niet langer een weigeringsgrond vormen. Bij toepassing van deze afwijkingsmogelijkheid dient de aanvraag te worden onderworpen aan een openbaar onderzoek en wordt de aanvraag getoetst aan de goede ruimtelijke ordening.
De verkaveling is ouder dan 15 jaar en vormt een aanvulling op de gewestplanbestemming woongebied. Binnen de procedure werd een openbaar onderzoek georganiseerd. De aanvraag wordt verder onderzocht naar overeenstemming met de goede ruimtelijke ordening.
Conclusie planologische toets
De aanvraag voldoet niet aan de geldende stedenbouwkundige voorschriften en verkavelingsvoorschriften. Weliswaar kan rechtsgeldig van deze voorschriften worden afgeweken. De planologische toets is positief.
Andere zoneringsgegevens
Het perceel wordt niet getroffen door een rooilijn.
Openbaar onderzoek
De aanvraag werd openbaar gemaakt van 16 maart 2026 tot 14 april 2026.
Er werden geen bezwaarschriften ingediend.
Project-MER
Het project komt niet voor op de lijsten gevoegd als bijlage I, II en III van het besluit van de Vlaamse Regering van 10 december 2004 (en latere wijzigingen) houdende vaststelling van de categorieën van projecten onderworpen aan milieueffectrapportage. Er dient derhalve geen project-milieueffectrapportage noch een project-milieueffectrapportage-screeningsnota te worden opgesteld voor de aanvraag.
Beoordeling van de goede ruimtelijke ordening
De Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening bepaalt in artikel 4.3.1 §2 dat de goede ruimtelijke ordening wordt beoordeeld aan de hand van aandachtspunten en criteria die onder meer betrekking hebben op de functionele inpasbaarheid, de mobiliteitsimpact, de schaal, het ruimtegebruik en de bouwdichtheid, de visueel-vormelijke elementen, cultuurhistorische aspecten en het bodemreliëf, alsook op hinderaspecten, gezondheid, gebruiksgenot en veiligheid in het algemeen. Hierbij dient bijzondere aandacht te worden besteed aan de doelstellingen van de duurzame ruimtelijke ordening.
Specifiek voor voorliggende aanvraag zijn volgende beoordelingscriteria van belang:
● de schaal, het ruimtegebruik en de bouwdichtheid;
● de visueel-vormelijke elementen;
● hinderaspecten, gezondheid, gebruiksgenot en veiligheid in het algemeen.
De aanvraag wordt onderzocht in overeenstemming met deze beoordelingscriteria. Daarbij wordt in het bijzonder nagegaan in welke mate de aanvraag verenigbaar is met de doelstellingen van de duurzame ruimtelijke ordening zoals bepaald in de VCRO art. 1.1.4. De vergunningverlenende overheid houdt hierbij rekening met de bestaande toestand van de omgeving, maar kan eveneens rekening houden met:
a) beleidsmatig gewenste ontwikkelingen met betrekking tot de hierboven vermelde aandachtspunten;
b) de bijdrage van het aangevraagde aan de verhoging van het ruimtelijk rendement, voor zover:
1. deze rendementsverhoging gebeurt met respect voor de kwaliteit van de woon- en leefomgeving;
2. deze rendementsverhoging in de betrokken omgeving verantwoord is.
De gemeenteraad keurde op datum van 18 november 2019 het vlekkenplan goed. Op datum van 21 oktober 2020 werd het beeldkwaliteitsplan goedgekeurd. Beide nota's geven een beeld van de beleidsvisie van het bestuur voor wat betreft de goede ruimtelijke ordening.
De VCRO stelt in art. 4.3.1 dat de stedenbouwkundige voorschriften van een gemeentelijk RUP, BPA of verkaveling de goede ruimtelijke ordening weergeven op voorwaarde dat de stedenbouwkundige voorschriften voldoende concreet zijn. Zoals blijkt uit de planologische toets is de aanvraag gelegen binnen zowel een BPA als binnen een verkaveling. De aanvraag wijkt op diverse punten af van deze voorschriften waardoor een bijkomende beoordeling zich opdringt.
Functionele inpasbaarheid
Het oprichten van een tuinberging behoort tot de gebruikelijke inrichting van een woonperceel. De aanvraag gaat niet gepaard met een functiewijziging en doet geen afbreuk aan het residentiële en groene karakter van de omgeving. Het voorstel is functioneel inpasbaar binnen de omgeving waarbij grondgebonden wonen en groene, kwalitatieve tuinzones centraal staan.
Mobiliteit
De aanvraag heeft geen impact op de parkeerbehoefte of de verkeersgeneratie van het perceel. Er worden geen bijkomende woongelegenheden of functies gecreëerd die aanleiding geven tot een verhoogde mobiliteitsdruk. De aanvraag blijft hierdoor verenigbaar met de bestaande draagkracht van de woonomgeving.
Schaal, ruimtegebruik en bouwdichtheid
Inplanting
Vanuit het oogpunt van de goede ruimtelijke ordening worden bijgebouwen bij voorkeur ingeplant binnen een afstand van ongeveer 30 meter van het hoofdgebouw, zodat de ruimtelijke relatie met de woning behouden blijft en versnippering van de tuinruimte wordt vermeden. In voorliggende aanvraag bevindt het bijgebouw zich op circa 35 meter van de woning. Deze inplanting is echter aanvaardbaar gezien de huidige inrichting van de achtertuin.
Het terras wordt beperkt uitgebreid tot op een afstand van 0,10 m van de linker perceelsgrens. In de bestaande toestand bevindt de terrasverharding zich reeds op circa 0,35 m van deze perceelsgrens. De tussenruimte tussen beide percelen wordt momenteel gekenmerkt door een aanwezige haagstructuur, die bijdraagt aan het groene karakter, de privacy en de ruimtelijke buffering tussen de percelen Diepestraat 9 en Diepestraat 11. Op basis van de luchtfoto lijkt deze haagstructuur hoofdzakelijk op het perceel Diepestraat 9 te zijn ingeplant. De beperkte uitbreiding van het terras kan vanuit ruimtelijk oogpunt aanvaardbaar worden geacht, voor zover de bestaande haagstructuur behouden blijft en geen rooien of ingrijpende aantasting van deze groene perceelsafscheiding noodzakelijk is.
Leesbaarheid
Vanuit de goede ruimtelijke ordening is het aangewezen dat bijgebouwen ondergeschikt blijven aan het hoofdgebouw en zorgvuldig geïntegreerd moeten worden binnen de tuinstructuur. Daarnaast dient het groene karakter van het perceel primerend te blijven ten opzichte van bebouwing en verharding. Het voorgestelde bijgebouw blijft, gelet op de beperkte hoogte en de positionering binnen de achtertuin, voldoende ondergeschikt aan de hoofdwoning. De leesbaarheid van het hoofdgebouw als dominante bebouwing op het perceel blijft behouden.
Ruimtegebruik
De beoordeling van het ruimtegebruik vertrekt vanuit het principe dat de 'groene mal' het uitgangspunt vormt van de inrichting van het perceel. Bebouwing en verharding dienen zich daarbij zorgvuldig in te passen binnen deze groene structuur. Het perceel behoudt in de nieuwe toestand een voldoende gedimensioneerde onverharde en groene tuinzone.
In de nieuwe toestand bedraagt de totale bebouwde en verharde oppervlakte circa 281 m² op een perceel van ongeveer 498,6 m², waardoor ongeveer 218 m² of circa 44% van het perceel als groenzone behouden blijft. Het perceel behoudt voldoende niet-bebouwde en niet-verharde ruimte.
Visueel-vormelijke elementen
De voorgestelde materiaalkeuze, bestaande uit houten lamellen, wit pleisterwerk en zwart aluminium buitenschrijnwerk, betreft een hedendaagse maar kwalitatieve architecturale afwerking die gebruikelijk is voor een tuinberging. De vormgeving sluit aan bij de bestaande architectuur van het hoofdgebouw en integreert zich op voldoende harmonieuze wijze binnen de tuinomgeving.
Het voorgestelde volume blijft ondergeschikt aan de hoofdwoning en behoudt, gelet op de beperkte hoogte en de positionering in de achtertuin, een voldoende terughoudend karakter binnen het ruimere straat- en tuinbeeld. De aanvraag veroorzaakt bijgevolg geen storend visueel effect en blijft verenigbaar met de bestaande beeldkwaliteit van de omgeving.
Cultuurhistorische aspecten
De aanvraag heeft geen betrekking op een beschermd monument of op een gebouw opgenomen in de inventaris van het bouwkundig erfgoed. Het perceel is evenmin gelegen binnen het gezichtsveld van een beschermd landschap, stads- of dorpsgezicht. De aanvraag veroorzaakt bijgevolg geen negatieve impact op cultuurhistorische waarden.
Bodemreliëf
De aanvraag voorziet niet in significante wijzigingen van het bestaande bodemreliëf. Het bestaande maaiveld blijft in hoofdzaak behouden.
Andere hinderaspecten inzake gezondheid, gebruiksgenot en veiligheid in het algemeen
De aanvraag bevat geen elementen waarvan redelijkerwijze kan worden verwacht dat zij een negatieve invloed zouden hebben op de gezondheid, de veiligheid of het gebruiksgenot van de omgeving. Gelet op de aard en de beperkte schaal van de werken worden geen abnormale hinderaspecten verwacht.
Door de afstand tot de perceelsgrenzen, de positionering van de raam- en deuropeningen en de inplanting binnen de achtertuin wordt bovendien voldoende rekening gehouden met de privacy, bezonning en het gebruiksgenot van de aanpalende eigendommen.
Watertoets
De Gewestelijke Stedenbouwkundige Verordening inzake hemelwaterputten, infiltratievoorzieningen e.d. is niet van toepassing op dit project.
Conclusie gemeentelijk omgevingsambtenaar
Op basis van de bovenvermelde motivering wordt de aanvraag voorwaardelijk gunstig geadviseerd mits te voldoen aan volgende voorwaarden:
De bestaande haagstructuur langs de linker perceelsgrens dient integraal behouden te blijven. Het rooien, verwijderen of ingrijpend aantasten van deze groene perceelsafscheiding is niet toegelaten in functie van de aanleg of uitbreiding van het terras.
Conclusie college van burgemeester en schepenen
Het college sluit zich aan bij het advies van de gemeentelijke omgevingsambtenaar en maakt dit zich eigen.
BESLUIT:
Artikel 1
Het college van burgemeester en schepenen levert de voorwaardelijke omgevingsvergunning af voor het bouwen van een tuinberging en aanleggen van verharding.
Artikel 2
Volgende voorwaarden en/of lasten worden opgelegd:
Stedenbouwkundige voorwaarden
De bestaande haagstructuur langs de linker perceelsgrens dient integraal behouden te blijven. Het rooien, verwijderen of ingrijpend aantasten van deze groene perceelsafscheiding is niet toegelaten in functie van de aanleg of uitbreiding van het terras.
Algemene voorwaarden
Deze beslissing stelt de aanvrager niet vrij van het aanvragen en verkrijgen van eventuele andere vergunningen of machtigingen, als die nodig zouden zijn.
Verval van de omgevingsvergunning – uittreksel uit het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning
Artikel 99. § 1. De omgevingsvergunning vervalt van rechtswege in elk van de volgende gevallen:
1° als de verwezenlijking van de vergunde stedenbouwkundige handelingen niet wordt gestart binnen de twee jaar na het verlenen van de definitieve omgevingsvergunning;
2° als het uitvoeren van de vergunde stedenbouwkundige handelingen meer dan drie opeenvolgende jaren wordt onderbroken;
3° als de vergunde gebouwen niet winddicht zijn binnen drie jaar na de aanvang van de vergunde stedenbouwkundige handelingen;
4° als de exploitatie van de vergunde activiteit of inrichting niet binnen vijf jaar na het verlenen van de definitieve omgevingsvergunning aanvangt.
Als de omgevingsvergunning uitdrukkelijk melding maakt van de verschillende fasen van het bouwproject, worden de termijnen van twee of drie jaar, vermeld in het eerste lid, gerekend per fase. Voor de tweede fase en de volgende fasen worden de termijnen van verval bijgevolg gerekend vanaf de aanvangsdatum van de fase in kwestie.
§ 2. De omgevingsvergunning voor de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit vervalt van rechtswege in elk van de volgende gevallen:
1° als de exploitatie van de vergunde activiteit of inrichting meer dan vijf opeenvolgende jaren wordt onderbroken;
2° als de ingedeelde inrichting vernield is wegens brand of ontploffing veroorzaakt ten gevolge van de exploitatie;
3° als de exploitatie op vrijwillige basis volledig en definitief wordt stopgezet overeenkomstig de voorwaarden en de regels, vermeld in het decreet van 9 maart 2001 tot regeling van de vrijwillige, volledige en definitieve stopzetting van de productie van alle dierlijke mest, afkomstig van een of meerdere diersoorten, en de uitvoeringsbesluiten ervan. De Vlaamse Regering kan nadere regels bepalen voor de inkennisstelling van de stopzetting.
§ 3. Als de gevallen, vermeld in paragraaf 1, betrekking hebben op een gedeelte van het bouwproject, vervalt de omgevingsvergunning alleen voor het niet-afgewerkte gedeelte van een bouwproject. Een gedeelte is eerst afgewerkt als het, in voorkomend geval na de sloping van de niet-afgewerkte gedeelten, kan worden beschouwd als een afzonderlijke constructie die voldoet aan de bouwfysische vereisten.
Als de gevallen, vermeld in paragraaf 1 of 2, alleen betrekking hebben op een gedeelte van de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit, vervalt de omgevingsvergunning alleen voor dat gedeelte.
Artikel 100. De omgevingsvergunning blijft onverkort geldig als de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit van een project door een wijziging van de indelingslijst van klasse 1 naar klasse 2 overgaat of omgekeerd.
In geval de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit van een project door een wijziging van de indelingslijst van klasse 1 of 2 naar klasse 3 overgaat, geldt de vergunning als aktename en blijven de bijzondere voorwaarden gelden.
Artikel 101. De termijnen van twee, drie of vijf jaar, vermeld in artikel 99, worden geschorst zolang een beroep tot vernietiging van de omgevingsvergunning aanhangig is bij de Raad voor Vergunningsbetwistingen, overeenkomstig hoofdstuk 9 behoudens indien de vergunde handelingen in strijd zijn met een vóór de definitieve uitspraak van de Raad van kracht geworden ruimtelijk uitvoeringsplan. In dat laatste geval blijft het eventuele recht op planschadevergoeding desalniettemin behouden.
De termijnen van twee of drie jaar, vermeld in artikel 99, worden geschorst tijdens het uitvoeren van de archeologische opgraving, omschreven in de bekrachtigde archeologienota overeenkomstig artikel 5.4.8 van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013 en in de bekrachtigde nota overeenkomstig artikel 5.4.16 van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013, met een maximumtermijn van een jaar vanaf de aanvangsdatum van de archeologische opgraving.
De termijnen van twee of drie jaar, vermeld in artikel 99, worden geschorst tijdens het uitvoeren van de bodemsaneringswerken van een bodemsaneringsproject waarvoor de OVAM overeenkomstig artikel 50, § 1, van het Bodemdecreet van 27 oktober 2006 een conformiteitsattest heeft afgeleverd, met een maximumtermijn van drie jaar vanaf de aanvangsdatum van de bodemsaneringswerken.
De termijnen van twee of drie jaar, vermeld in artikel 99, worden geschorst zolang een bekrachtigd stakingsbevel, zoals vermeld in titel VI, niet wordt ingetrokken, hetzij niet wordt opgeheven bij een in kracht van gewijsde gegane beslissing. De schorsing eindigt van rechtswege wanneer geen opheffing van het stakingsbevel wordt gevorderd of geen intrekking wordt gedaan binnen een termijn van twee jaar vanaf de bekrachtiging van het stakingsbevel.
Beroepsmogelijkheden – uittreksel uit het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning
Artikel 52. De Vlaamse Regering is bevoegd in laatste administratieve aanleg voor beroepen tegen uitdrukkelijke of stilzwijgende beslissingen van de deputatie in eerste administratieve aanleg.
De deputatie is voor haar ambtsgebied bevoegd in laatste administratieve aanleg voor beroepen tegen uitdrukkelijke of stilzwijgende beslissingen van het college van burgemeester en schepenen in eerste administratieve aanleg.
Artikel 53. Het beroep kan worden ingesteld door:
1° de vergunningsaanvrager, de vergunninghouder of de exploitant;
2° het betrokken publiek;
3° de leidend ambtenaar van de adviesinstanties of bij zijn afwezigheid zijn gemachtigde als de adviesinstantie tijdig advies heeft verstrekt of als aan hem ten onrechte niet om advies werd verzocht;
4° het college van burgemeester en schepenen als het tijdig advies heeft verstrekt of als het ten onrechte niet om advies werd verzocht;
5° de leidend ambtenaar van het Departement Leefmilieu, Natuur en Energie of bij zijn afwezigheid zijn gemachtigde;
6° de leidend ambtenaar van het Departement Ruimtelijke Ordening, Woonbeleid en Onroerend Erfgoed of bij zijn afwezigheid zijn gemachtigde.
Artikel 54. Het beroep wordt op straffe van onontvankelijkheid ingesteld binnen een termijn van dertig dagen die ingaat:
1° de dag na de datum van de betekening van de bestreden beslissing voor die personen of instanties aan wie de beslissing betekend wordt;
2° de dag na het verstrijken van de beslissingstermijn als de omgevingsvergunning in eerste administratieve aanleg stilzwijgend geweigerd wordt;
3° de dag na de eerste dag van de aanplakking van de bestreden beslissing in de overige gevallen.
Artikel 55. Het beroep schorst de uitvoering van de bestreden beslissing tot de dag na de datum van de betekening van de beslissing in laatste administratieve aanleg.
In afwijking van het eerste lid werkt het beroep niet schorsend ten aanzien van:
1° de vergunning voor de verdere exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit waarvoor ten minste twaalf maanden voor de einddatum van de omgevingsvergunning een vergunningsaanvraag is ingediend;
2° de vergunning voor de exploitatie na een proefperiode als vermeld in artikel 69;
3° de vergunning voor de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit die vergunningsplichtig is geworden door aanvulling of wijziging van de indelingslijst.
Artikel 56. Het beroep wordt op straffe van onontvankelijkheid per beveiligde zending ingesteld bij de bevoegde overheid, vermeld in artikel 52.
Degene die het beroep instelt, bezorgt op straffe van onontvankelijkheid gelijktijdig en per beveiligde zending een afschrift van het beroepschrift aan:
1° de vergunningsaanvrager behalve als hij zelf het beroep instelt;
2° de deputatie als die in eerste administratieve aanleg de beslissing heeft genomen;
3° het college van burgemeester en schepenen behalve als het zelf het beroep instelt.
De Vlaamse Regering bepaalt de bewijsstukken die bij het beroep moeten worden gevoegd opdat het op ontvankelijke wijze wordt ingesteld.
Artikel 57. De bevoegde overheid, vermeld in artikel 52, of de door haar gemachtigde ambtenaar onderzoekt het beroep op zijn ontvankelijkheid en volledigheid.
Als niet alle stukken als vermeld in artikel 56, derde lid, bij het beroep zijn gevoegd, kan de bevoegde overheid of de door haar gemachtigde ambtenaar de beroepsindiener per beveiligde zending vragen om binnen een termijn van veertien dagen die ingaat de dag na de verzending van het vervolledigingsverzoek, de ontbrekende gegevens of documenten aan het beroep toe te voegen.
Als de beroepsindiener nalaat de ontbrekende gegevens of documenten binnen de termijn, vermeld in het tweede lid, aan het beroep toe te voegen, wordt het beroep als onvolledig beschouwd.
Beroepsmogelijkheden – regeling van het besluit van de Vlaamse Regering decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning
Het beroepschrift bevat op straffe van onontvankelijkheid:
1° de naam, de hoedanigheid en het adres van de beroepsindiener;
2° de identificatie van de bestreden beslissing en van het onroerend goed, de inrichting of exploitatie die het voorwerp uitmaakt van die beslissing;
3° als het beroep wordt ingesteld door een lid van het betrokken publiek:
een omschrijving van de gevolgen die hij ingevolge de bestreden beslissing ondervindt of waarschijnlijk ondervindt;
b) het belang dat hij heeft bij de besluitvorming over de afgifte of bijstelling van een omgevingsvergunning of van vergunningsvoorwaarden;
4° de redenen waarom het beroep wordt ingesteld.
Het beroepsdossier bevat de volgende bewijsstukken:
1° in voorkomend geval, een bewijs van betaling van de dossiertaks;
2° de overtuigingsstukken die de beroepsindiener nodig acht;
3° in voorkomend geval, een inventaris van de overtuigingsstukken, vermeld in punt 2°.
Als de bewijsstukken, vermeld in het tweede lid, ontbreken, kan hieraan verholpen worden overeenkomstig artikel 57, tweede lid, van het decreet van 25 april 2014.
Het beroepsdossier wordt ingediend met een analoge of een digitale zending.
Het bevoegde bestuur kan bij de beroepsindiener, de vergunningsaanvrager of de overheid die in eerste administratieve aanleg bevoegd is, alle beschikbare informatie en documenten opvragen die nuttig zijn voor het dossier.
De beroepsindiener geeft, op straffe van verval, uitdrukkelijk in zijn beroepschrift aan of hij gehoord wil worden.
Als de vergunningsaanvrager gehoord wil worden, brengt hij het bevoegde bestuur daarvan uitdrukkelijk op de hoogte met een beveiligde zending uiterlijk vijftien dagen nadat hij een afschrift van het beroepschrift als vermeld in artikel 56 van het decreet van 25 april 2014, heeft ontvangen, op voorwaarde dat hij niet de beroepsindiener is.
Mededeling
Deze gegevens kunnen worden opgeslagen in een of meer bestanden. Die bestanden kunnen zich bevinden bij de gemeente, waar u de aanvraag hebt ingediend, bij de provincie, en ook bij de Vlaamse administratie, bevoegd voor de omgevingsvergunning. Ze worden gebruikt voor de behandeling van uw dossier. Ze kunnen ook gebruikt worden voor het opmaken van statistieken en voor wetenschappelijke doeleinden. U hebt het recht om uw gegevens in deze bestanden in te kijken en zo nodig de verbetering ervan aan te vragen.
Register der bekendmakingen
Deze webpagina vormt het openbare register van gemeentelijke reglementen en verordeningen, in overeenstemming met het besluit van de Vlaamse regering van 28 april 2023 betreffende de bekendmakingen en raadpleegbaarheid van besluiten en documenten van het lokale bestuur met betrekking tot de manier waarop ze moeten worden bijgehouden.
Wanneer een publicatie wordt uitgevoerd, zal er een expliciete "bundel" van het document worden opgeslagen. Op dat moment is het document inhoudelijk niet meer aanpasbaar door de gebruiker.
Deze "bundel" bestaat uit:
De inhoud van de publicatie op het moment dat deze werd uitgevoerd.
Een unieke identificatie van de gebruiker die de actie heeft uitgevoerd.
De tijdstempel waarop de actie heeft plaatsgevonden.
Al deze gegevens staan in een aparte publicatie omgeving die beveiligd en toegankelijk is voor een beperkt aantal personen.