BESLUIT ZONDER VISUM VAN HET COLLEGE VAN BURGEMEESTER EN SCHEPENEN
Zitting van maandag 10 augustus 2026
Aanwezig: Thierry Lens (burgemeester);Bart Van Couwenberghe, Dave Van den Bergh, Lenn De Cleene, Sofie Lemmens (Schepenen);Anke Dehuisser (algemeen directeur); |
OMV 2025/106 - Lintsesteenweg 601 - vergunning
Het college van burgemeester en schepenen, in geheime zitting,
Juridische achtergrond
Artikel 56, §2, 7° van het Decreet over het Lokaal Bestuur bepaalt dat het college van burgemeester en schepenen bevoegd is over de beslissingen die een wet, een decreet of een uitvoeringsbesluit uitdrukkelijk aan het college van burgemeester en schepenen voorbehoudt;
Besluit van de Vlaamse Regering van 23 mei 2003 tot bepaling van de handelingen die vrijgesteld zijn van de medewerking van de architect.
Artikel 8 van het decreet van 18 juli 2003 betreffende het integraal waterbeleid, gecoördineerd op 15 juni 2018, verplicht elke vergunningverlenende overheid ertoe om de potentieel schadelijke effecten van de voorgenomen werken op het watersysteem te onderzoeken.
Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening gecoördineerd bij besluit van de Vlaamse regering van 15 mei 2009 (BS 20 augustus 2009), en latere wijzigingen, hierna genoemd de VCRO en latere wijzigingsdecreten.
Besluit van de Vlaamse Regering van 16 juli 2010 betreffende de meldingsplichtige handelingen ter uitvoering van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening en latere wijzigingen;
Besluit van de Vlaamse Regering tot vaststelling van een gewestelijke stedenbouwkundige verordening inzake hemelwater, tot wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 16 juli 2010 tot bepaling van stedenbouwkundige handelingen waarvoor geen omgevingsvergunning nodig is en tot opheffing van het besluit van de Vlaamse Regering van 5 juli 2013 houdende vaststelling van een gewestelijke stedenbouwkundige verordening inzake hemelwaterputten, infiltratievoorzieningen, buffervoorzieningen en gescheiden lozing van afvalwater en hemelwater.
Decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning en latere wijzigingen;
Besluit van de Vlaamse Regering van 27 november 2015 betreffende de omgevingsvergunning en latere wijzigingen;
Decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid (DABM) + bijlagen en latere wijzigingen;
Besluit van de Vlaamse Regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne (VLAREM II) en latere wijzigingen;
Besluit van de Vlaamse Regering van 16 mei 2014 houdende bijkomende algemene milieuvoorwaarden (VLAREM III) voor GPBV-installaties en latere wijzigingen;
Besluit van de gemeenteraad van 25 juni 2012 betreft de verordening rond het kappen van bomen.
Besluit van de gemeenteraad van 16 december 2025 tot vaststelling van een retributiereglement voor meldingen en aanvragen van omgevingsvergunningen;
Feiten en context
De aanvraag ingediend door De Deckers, Paul gevestigd te Lintsesteenweg 601 te 2540 Hove, werd per beveiligde zending verzonden op 18 augustus 2025. Deze aanvraag werd ontvangen op 18 augustus 2025 en vervolledigd op 13 februari 2026.
De aanvraag werd ontvankelijk en volledig verklaard op 12 maart 2026.
De aanvraag heeft betrekking op een terrein, gelegen Lintsesteenweg 601, kadastraal bekend: afdeling 1 sectie C nrs. 7W, 7A2 en 7B2.
Het betreft een aanvraag tot het hernieuwen en veranderen van de huidige milieuvergunning.
De aanvraag omvat:
de exploitatie van een of meerdere ingedeelde inrichtingen of activiteiten
Het college van burgemeester en schepenen heeft deze aanvraag onderzocht, rekening houdend met de terzake geldende wettelijke bepalingen, in het bijzonder met het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning, het decreet houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid, de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening en hun uitvoeringsbesluiten.
Historiek
Adviezen
Igean dd. 5 juni 2026: ongunstig
Agentschap Landbouw en Zeevisserij dd. 9 juli 2026: geen advies
Agentschap Natuur en Bos Antwerpen dd. 2 juli 2026: geen advies
Agentschap Natuur en Bos Antwerpen dd. 17 maart 2026: geen advies
Gemeentelijk omgevingsambtenaar dd. 3 augustus 2026: voorwaardelijk gunstig
Argumentatie
Beschrijving van de aangevraagde ingedeelde inrichtingen of activiteiten
De milieuvergunning van 22 augustus 2005 omvatte volgende ingedeelde inrichtingen en activiteiten:
Rubriek | Vergunde activiteit |
3.2 | Lozing van huishoudelijk afvalwater in de openbare riolering |
15.1.1 | Stallen van vijf voertuigen andere dan personenwagens |
17.3.2.1 | Opslag van 13 kg giftige stoffen |
17.3.6.2 | Opslag van 41.200 liter mazout in een ondergrondse houder van 40.000 liter en een bovengrondse houder van 1.200 liter |
17.3.9.1.1 | Eén verdeelinstallatie aangesloten op de bovengrondse mazouthouder van 1.200 liter |
17.4 | Opslag van 53 kg bestrijdingsmiddelen in verpakkingen van maximaal 25 kg |
43.1.2 | Stookinstallatie met een warmtevermogen van 1.163 kW |
De aanvraag omvat volgende veranderingen:
● de lozing van huishoudelijk afvalwater wordt niet hernieuwd, aangezien het opgegeven debiet van ongeveer 90 m³ per jaar niet langer onder rubriek 3.2 is ingedeeld;
● het stallen van vijf bedrijfsvoertuigen wordt ongewijzigd hernieuwd;
● de afzonderlijke opslag van 13 kg giftige stoffen wordt niet hernieuwd en wordt geïntegreerd in de opslag onder rubriek 17.4;
● de ondergrondse mazouthouder van 40.000 liter wordt definitief buiten gebruik gesteld;
● de eerder vergunde bovengrondse houder van 1.200 liter en de bijbehorende verdeelinstallatie worden niet hernieuwd;
● een nieuwe bovengrondse, dubbelwandige mazouthouder van 13.000 liter, overeenstemmend met 10.829 kg, wordt geplaatst;
● de opslag onder rubriek 17.4 wordt uitgebreid van 53 kg tot maximaal 5.000 kg/l gevaarlijke producten in kleine verpakkingen, in hoofdzaak kunstmeststoffen en fytoproducten;
● de stookinstallatie blijft behouden op 1.163 kW en wordt overeenkomstig de actuele indelingslijst onder rubriek 43.1.2°b ingedeeld.
Na de hernieuwing en verandering omvat de ingedeelde inrichting of activiteit volgende gecoördineerde toestand:
Rubriek | Omschrijving | Totale hoeveelheid | Klasse |
15.1.1° | Stallen van bedrijfsvoertuigen | 5 voertuigen | 3 |
17.3.2.1.1.1°b | Opslag van mazout in een bovengrondse, dubbelwandige houder | 13.000 liter of 10.829 kg | 2 |
17.4 | Opslag van gevaarlijke producten in kleine verpakkingen, in hoofdzaak kunstmeststoffen en fytoproducten | maximaal 5.000 kg/l | 3 |
43.1.2°b | Mazoutgestookte installatie | totaal nominaal thermisch ingangsvermogen van 1.163 kW | 2 |
De gecoördineerde inrichting blijft een inrichting van klasse 2.
De aanvraag omvat voor de ingedeelde inrichting of activiteit:
Rubriek | Omschrijving | Gevraagd voor |
15.1.1° | (Hernieuwing) |
|
43.1.2°b) | (Hernieuwing) |
|
17.3.2.1.1.1°b) | Hernieuwing
Verandering indelingsrubriek conform CLP-verordening
De tank van 40.000 L wordt verwijderd.
De tank van 1.200L is nooit geplaatst.
Er wordt een nieuwe tank van 13.000 L geplaatst (Verandering) | 10,829 ton |
17.4. | Hernieuwing en verandering Opslag van max. 5.000 kg/L gevaarlijke producten in kleine verpakkingen (Verandering) | 4947 kg |
Zodat de ingedeelde inrichting of activiteit voortaan omvat:
Rubriek | Omschrijving | Totale hoeveelheid |
15.1.1° | (Hernieuwing) | 5 voertuigen |
17.3.2.1.1.1°b) | Hernieuwing
Verandering indelingsrubriek conform CLP-verordening
De tank van 40.000 L wordt verwijderd.
De tank van 1.200L is nooit geplaatst.
Er wordt een nieuwe tank van 13.000 L geplaatst (Verandering) | 10,829 ton |
17.4. | Hernieuwing en verandering Opslag van max. 5.000 kg/L gevaarlijke producten in kleine verpakkingen (Verandering) | 5000 kg |
43.1.2°b) | (Hernieuwing) | 1163 kW |
Toetsing aan de voorschriften
Het eigendom strekt zich volgens het gewestplan Antwerpen uit over agrarisch gebied en landschappelijk waardevol agrarisch gebied.
De agrarische gebieden zijn bestemd voor landbouw in de ruime zin. De landschappelijk waardevolle agrarische gebieden zijn daarnaast onderworpen aan een esthetische toets, waarbij de schoonheidswaarde van het landschap niet in gevaar mag worden gebracht.
Het bedrijf betreft een glastuinbouwbedrijf voor de teelt van perkplanten in serres en potchrysanten in de volle grond. De voertuigstalling, de stookinstallatie en de opslag van kunstmeststoffen en fytoproducten staan rechtstreeks in functie van deze agrarische bedrijfsvoering. Addendum C6 vermeldt dat de mazoutopslag naast de verwarming van de serre ook de verwarming van de bedrijfswoning bedient. Dat nevengebruik is ondergeschikt aan het bedrijfsmatige gebruik en doet geen afbreuk aan het overwegend agrarische karakter van de opslag. De verdeling van het verbruik is vastgelegd in bijzondere milieuvoorwaarde 5. De inrichting is functioneel verenigbaar met de agrarische bestemming.
De relevante installaties bevinden zich bij de bestaande bedrijfsgebouwen. De loods waarin de stookinstallatie en de opslag onder rubriek 17.4 worden geëxploiteerd, is weergegeven op historische vergunningsplannen uit 1968, 1972, 1973 en 1976. Deze stukken dateren van vóór de definitieve vaststelling van het gewestplan Antwerpen. Aangezien geen tijdig tegenbewijs werd teruggevonden, wordt het historisch aangetoonde loodsvolume voor deze beoordeling overeenkomstig artikel 4.2.14, §2, VCRO vergund geacht.
Dit vermoeden heeft uitsluitend betrekking op de historisch aangetoonde constructie. De voorliggende vergunning regulariseert geen andere constructies, verhardingen, uitbreidingen of functies op de site.
De nieuwe bovengrondse mazouthouder wordt binnen de bestaande loods opgesteld. Het plaatsen van een verplaatsbare opslaghouder binnen een bestaand gebouw vormt geen stedenbouwkundige handeling in de zin van artikel 4.1.1, 1°, VCRO. Er is bijgevolg geen omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen vereist en er wordt geen toepassing gemaakt van het Vrijstellingenbesluit. Een afwijkende inplanting of uitvoering wordt door deze beslissing niet toegestaan.
De aanvraag vermeldt daarnaast een publiek toegankelijke verkoopruimte van 99,24 m² en gemiddeld ongeveer vijftig particuliere klanten per week. Deze verkoop wordt omschreven als een ondergeschikte activiteit bij het tuinbouwbedrijf. De netto handelsoppervlakte blijft onder de drempel van meer dan 400 m² waarboven een omgevingsvergunning voor kleinhandelsactiviteiten vereist is.
Deze drempel doet geen uitspraak over een eventuele stedenbouwkundige functiewijziging. De beoordeling van het vergunde karakter van de verkoopruimte en van een mogelijke functiewijziging valt buiten het voorwerp van deze aanvraag en wordt hier niet verricht. De voorliggende beslissing verleent geen toelating voor zelfstandige detailhandel, voor een uitbreiding van de verkoopruimte of voor een verschuiving naar de verkoop van aangekochte handelsgoederen, en dekt de bestaande verkoopactiviteit stedenbouwkundig niet.
Het project is volgens het gewestelijk RUP “Afbakening grootstedelijk gebied Antwerpen”, goedgekeurd op 19 juni 2009, gelegen binnen de afbakeningslijn van het grootstedelijk gebied Antwerpen. Het perceel ligt niet in een deelgebied waarvoor vervangende bestemmingsvoorschriften werden vastgesteld. De voorschriften van het gewestplan blijven bijgevolg van toepassing.
De aanvraag veroorzaakt geen bijkomend bouwvolume, geen nieuwe verharding en geen bijkomende versnippering van de open ruimte. De nieuwe houder wordt gebundeld bij de bestaande bedrijfsgebouwen. De schoonheidswaarde van het landschap wordt hierdoor niet op relevante wijze aangetast.
De aangevraagde exploitatie is verenigbaar met de geldende bestemmingsvoorschriften en met de goede ruimtelijke ordening. De weigeringsgronden van artikel 5.3.1, 2°, b) en c), DABM zijn niet van toepassing.
Rooilijn
Het perceel wordt niet getroffen door een rooilijn.
Uitgeruste weg
In toepassing op de artikelen 4.3.5 tot en met 4.3.8 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening (VCRO) kan gesteld worden dat de Lintsesteenweg een voldoende uitgeruste openbare weg is.
Riolering
De richtlijnen inzake aansluiting op de riolering en IBA-beheer kunnen worden bekomen bij Water-link (www.water-link.be of 078/35.35.09).
Het perceel is gelegen in geoptimaliseerd buitengebied. Aangezien de betreffende omgevingsvergunning zich situeert in een gebied met bestaande riolering die reeds is aangesloten op een zuiveringsinstallatie, dient het zwart water van de betreffende constructie via een septische put met Benor-certificaat te worden aangesloten op de bestaande riolering.
Openbaar onderzoek
Het project werd tweemaal onderworpen aan een openbaar onderzoek.
Een eerste openbaar onderzoek vond plaats tussen 22 maart 2026 en 20 april 2026. Er werden geen bezwaarschriften ingediend.
Een tweede openbaar onderzoek vond plaats tussen 2 juli 2026 en 31 juli 2026. Er werden geen bezwaarschriften ingediend
Watertoets
De aanvraag omvat geen nieuw gebouw, geen nieuwe verharding en geen relevante reliëfwijziging. De afwaterende oppervlakte en de bestaande waterhuishouding worden niet gewijzigd. Het hemelwater van de serre en de loods, samen ongeveer 5.925 m² dakoppervlakte, wordt opgevangen in twee silo's van 200 m³ en hergebruikt voor de aanmaak van voedingswater.
De lozing van huishoudelijk afvalwater van ongeveer 90 m³ per jaar blijft feitelijk bestaan, maar is niet langer ingedeeld onder rubriek 3.2. Op die lozing blijven de algemene voorwaarden voor de lozing van huishoudelijk afvalwater rechtstreeks van toepassing.
Volgens de watertoetskaarten is het perceel niet gelegen gelegen in een overstromingsgevoelig gebied.
Onder naleving van de voorwaarden inzake de opslag van gevaarlijke producten en het beheer van restvloeistoffen en spoelwater is geen schadelijk effect op het watersysteem te verwachten.
De gewestelijke stedenbouwkundige verordening inzake hemelwater is niet van toepassing, aangezien de aanvraag geen stedenbouwkundige handelingen omvat die het toepassingsgebied van deze verordening activeren.
De aanvraag doorstaat de watertoets.
Project-MER
Het project is niet opgenomen in bijlage I of bijlage II bij het besluit van de Vlaamse Regering van 10 december 2004 houdende vaststelling van de categorieën van projecten onderworpen aan milieueffectrapportage, en behoort evenmin tot een categorie van bijlage III bij dat besluit. Er is bijgevolg geen project-MER en geen project-m.e.r.-screeningsnota vereist.
Inhoudelijke beoordeling van de milieuaspecten
Mobiliteit
Addendum E1 brengt de personeels-, leverings- en klantenbewegingen in kaart. De verkoop ontvangt gemiddeld ongeveer vijftig particuliere klanten per week. De klantenbewegingen zijn gespreid over de week en vinden tijdens de daguren plaats.
Leveringen en ophalingen zijn beperkt en worden op het eigen terrein afgehandeld. Mazout wordt ongeveer tweemaal per jaar geleverd. Het laden, lossen en parkeren wordt op het eigen terrein georganiseerd, zodat de openbare weg niet structureel wordt ingenomen.
Gelet op de beperkte schaal, de spreiding van de bewegingen en de ligging aan de Lintsesteenweg wordt geen onaanvaardbare mobiliteitshinder verwacht. Een bijkomende bijzondere mobiliteitsvoorwaarde is niet noodzakelijk.
Bodem en mazoutopslag
De ondergrondse mazouthouder van 40.000 liter maakt geen deel uit van de aangevraagde gecoördineerde toestand en wordt definitief buiten gebruik gesteld. IGEAN stelt vast dat de inrichting geen VLAREBO-activiteiten omvat. Aan de buitengebruikstelling van de houder is bijgevolg geen verplichting tot oriënterend bodemonderzoek verbonden. Uit het keuringsverslag van 27 januari 2025 blijkt dat de houder een oranje beoordeling kreeg wegens opmerkingen over het lekdetectiesysteem en de beschikbare documenten. De houder werd dicht bevonden en er werden geen aanwijzingen van lekkage vastgesteld. Het verslag stelt geen bodemverontreiniging vast, maar vormt op zichzelf geen bodemonderzoek.
Een attest van buitengebruikstelling en verwijdering kan pas worden opgesteld nadat deze handelingen effectief werden uitgevoerd. Het ontbreken van dit attest verhindert niet dat over de toekomstige exploitatie wordt beslist. De buitengebruikstelling en verwijdering worden door een bijzondere milieuvoorwaarde verzekerd.
De vergunning van 2005 vermeldt daarnaast een bovengrondse houder van 1.200 liter met verdeelinstallatie. Volgens addendum C4 werd deze vergunde houder nooit geplaatst. Een attest van 1 oktober 2025 toont aan dat een andere bovengrondse houder van 1.000 liter werd geledigd, gereinigd en afgevoerd. Geen van beide houders en evenmin de verdeelinstallatie maken deel uit van de toekomstige vergunde toestand.
De nieuwe houder betreft een bovengrondse, dubbelwandige mazouthouder van 13.000 liter met permanent lekdetectiesysteem. Omdat de houder nog moet worden geplaatst, kan nog geen attest van controle bij plaatsing worden voorgelegd. De technische kenmerken en maximale opslagcapaciteit zijn wel voldoende bepaald. De houder mag pas na een conforme controle in gebruik worden genomen.
Opslag van gevaarlijke producten
De opslag onder rubriek 17.4 wordt uitgebreid van 53 kg tot maximaal 5.000 kg/l gevaarlijke producten in kleine verpakkingen, in hoofdzaak kunstmeststoffen en fytoproducten.
Addenda C4 en C7 bepalen de maximale gelijktijdige opslagcapaciteit en koppelen de opslag aan zone OGPKV op het uitvoeringsplan. De vermelding in addendum C6 van een jaarlijks gebruik van ongeveer 5.000 kg heeft een andere betekenis en doet geen afbreuk aan de aangevraagde maximale gelijktijdige opslagcapaciteit.
Addendum E2 vermeldt dat vloeibare producten en fytoproducten in een aangepaste fytokast of boven lekopvang worden opgeslagen, dat de vloeren vloeistofdicht zijn en dat absorptiemiddelen aanwezig zijn.
Brandveiligheid en bluswater
Overeenkomstig artikel 4.1.12.1, §1, VLAREM II organiseert de exploitant de brandbestrijding, de brandbestrijdingsmiddelen en de capaciteit van de opvang van verontreinigd bluswater volgens de code van goede praktijk, en raadpleegt hij daarbij de bevoegde brandweer. Gelet op de gezamenlijke aanwezigheid van 13.000 liter mazout en maximaal 5.000 kilogram of liter gevaarlijke producten in één loods, wordt de raadpleging van de hulpverleningszone en de opvang van verontreinigd bluswater door een bijzondere milieuvoorwaarde verzekerd.
Verbods- en afstandsregels
De voertuigstalling onder rubriek 15.1.1° en de opslag onder rubriek 17.4 bevinden zich in dezelfde loods. Artikel 5.15.0.5, §2, VLAREM II verbiedt in parkeerruimten voor motorvoertuigen het opstapelen van gemakkelijk brandbare materialen of producten met gevarenpictogram GHS02, met uitzondering van gevaarlijke vloeistoffen van groep 2, en het plaatsen van bussen die benzine bevatten of hebben bevat. De opslagzone OGPKV is op het uitvoeringsplan. De scheidingsafstanden van bijlage 5.17.1 bij VLAREM II zijn overeenkomstig punt 3° van die bijlage niet van toepassing op opslagplaatsen vermeld in rubriek 17.4. Voor de bovengrondse mazouthouder kan aan de toepasselijke scheidingsafstanden worden voldaan.
De naleving van de zonering en van het verbod van artikel 5.15.0.5, §2, wordt door bijzondere milieuvoorwaarde 4 verzekerd.
Rubriek 17.4 beperkt de opslag van rechtswege tot individuele verpakkingen van maximaal 30 liter of 30 kg en sluit producten met gevarenpictogram GHS01 uit. De exacte handelsnamen kunnen tijdens de vergunningsduur wijzigen, voor zover ieder product binnen de vergunde rubriek en opslagcapaciteit blijft. Met het oog op de controleerbaarheid wordt een actuele inventaris met veiligheidsinformatiebladen opgelegd.
Gewasbeschermingsmiddelen en spoelwater
Uit addendum E3 blijkt dat uitsluitend hand- en rugspuitapparatuur wordt gebruikt. Er zijn geen grote mobiele spuittoestellen of afzonderlijke reinigingsinstallaties aanwezig. De bijkomende rubrieken 2.3.3 en 5.6 zijn hierdoor niet van toepassing.
Het gebruik van uitsluitend hand- en rugspuitapparatuur wordt als projectkenmerk in een bijzondere milieuvoorwaarde vastgelegd. Het vullen en reinigen moet gebeuren zonder ongecontroleerde afvoer van restvloeistoffen of verontreinigd spoelwater. Iedere lozing in de riolering, regenwaterafvoer, gracht, oppervlaktewater of het grondwater wordt uitgesloten.
Aangezien uitsluitend hand- en rugspuitapparatuur wordt gebruikt, zijn de rubrieken 2.3.3 en 5.6 niet van toepassing. De adviezen van de OVAM en van het Departement Zorg, die bij toepasselijkheid van die rubrieken vereist zouden zijn, moesten bijgevolg niet worden ingewonnen.
Lucht en stookinstallatie
Projectinhoudversie 5 bevat het gecorrigeerde emissiemeetrapport van LOVAP met rapportnummer B25.R9622.00001C. De metingen werden uitgevoerd op 28 maart 2025. Het gecorrigeerde rapport van 1 juni 2026 vervangt de eerdere versies.
Het rapport toetst de mazoutgestookte installatie van 1.163 kW aan de toepasselijke emissiegrenswaarden. Er werden geen overschrijdingen vastgesteld.
Addendum R43 vermeldt een totaal nominaal thermisch ingangsvermogen van 1.163 kW, mazout als brandstof en een verwacht gebruik van maximaal 300 bedrijfsuren per jaar. De stikstofberekening gaat uit van een jaarlijks mazoutverbruik van maximaal 15.000 liter. Deze parameters worden als bijzondere voorwaarden vastgelegd.
Stikstof en biodiversiteit
De actuele impactscoreberekening omvat de stationaire bron en de projectgebonden mobiliteit. De impactscore bedraagt 0,003% voor vermesting en 0,017% voor verzuring. Beide waarden liggen ruimschoots onder de toepasselijke drempel van 1%.
De verscherpte natuurtoets toont aan dat de bijdrage ter hoogte van de meest kritische actuele natuurwaarde in het nabijgelegen VEN-gebied 0,00185% van de kritische depositiewaarde bedraagt.
Gelet op deze zeer beperkte bijdragen, het standpunt van het Agentschap voor Natuur en Bos en de borging van de bedrijfsuren en het brandstofverbruik, veroorzaakt het project geen betekenisvolle aantasting van een speciale beschermingszone en geen onvermijdbare en onherstelbare schade aan de natuur in het VEN.
Afval, geluid en licht
Afvalstoffen, lege verpakkingen en verontreinigde absorptiemiddelen moeten overeenkomstig VLAREMA en de toepasselijke VLAREM-voorwaarden worden opgeslagen en afgevoerd.
De exploitatie vindt hoofdzakelijk tijdens de daguren plaats en omvat geen nieuwe relevante geluids- of lichtbronnen. Er wordt geen onaanvaardbare geluids- of lichthinder verwacht.
Globale milieubeoordeling
De nog niet beschikbare attesten hebben betrekking op controles en uitvoeringshandelingen die pas na de vergunning kunnen plaatsvinden. Deze aspecten kunnen door precieze en proportionele bijzondere milieuvoorwaarden worden geregeld.
Onder naleving van de algemene, sectorale en bijzondere milieuvoorwaarden kunnen de risico’s en hinder voor mens en milieu tot een aanvaardbaar niveau worden beperkt. De weigeringsgronden van artikel 5.3.1 DABM zijn niet van toepassing.
Conclusie GOA
Conclusie gemeentelijke omgevingsambtenaar
De aanvraag kan gunstig worden beoordeeld voor de hernieuwing en verandering van de ingedeelde inrichting of activiteit.
De aanvraag werd tijdig en vóór de in het beschikkend gedeelte vastgelegde einddatum van de milieuvergunning ingediend. De inrichting is functioneel verenigbaar met de agrarische bestemming. Voor de relevante loods is het vermoeden van vergunning voldoende onderbouwd. De aanvraag veroorzaakt geen bijkomend bouwvolume, geen nieuwe verharding en geen relevante aantasting van de landschappelijke schoonheidswaarde.
De aanvullende dossierstukken maken de milieueffecten voldoende beoordeelbaar. Onder naleving van de algemene, sectorale en bijzondere milieuvoorwaarden worden de mogelijke risico’s en hinder voor mens en milieu tot een aanvaardbaar niveau beperkt.
Er wordt een voorwaardelijk gunstig advies verleend voor onbepaalde duur (cf. OVD art. 68).
Algemene en sectorale milieuvoorwaarden
De algemene en sectorale milieuvoorwaarden van VLAREM II zijn van rechtswege van toepassing in hun actuele en geconsolideerde versie, in het bijzonder:
● de algemene milieuvoorwaarden voor ingedeelde inrichtingen, opgenomen in deel 4 van VLAREM II;
● de sectorale voorwaarden van hoofdstuk 5.15 voor garages, parkeerplaatsen en stallingen voor motorvoertuigen;
● de sectorale voorwaarden van hoofdstuk 5.17 voor de opslag van gevaarlijke producten;
● de sectorale voorwaarden van hoofdstuk 5.43 voor de stookinstallatie.
Er wordt geen afwijking van de algemene of sectorale milieuvoorwaarden toegestaan.
Bijzondere milieuvoorwaarden
1. Nieuwe bovengrondse mazouthouder
De bovengrondse, dubbelwandige mazouthouder van 13.000 liter mag pas in gebruik worden genomen nadat de houder en de volledige opslaginstallatie overeenkomstig VLAREM II zijn gecontroleerd en conform bevonden.
Een afschrift van het conformiteitsattest wordt uiterlijk dertig dagen na de controle aan het college van burgemeester en schepenen bezorgd en wordt op de inrichting ter beschikking gehouden van de toezichthouder.
2. Ondergrondse mazouthouder van 40.000 liter
De ondergrondse mazouthouder van 40.000 liter maakt geen deel uit van de vergunde gecoördineerde toestand en mag vanaf het ogenblik waarop deze vergunning uitvoerbaar is niet meer worden gevuld of geëxploiteerd.
De houder wordt geledigd, gereinigd en verwijderd binnen twaalf maanden nadat deze vergunning uitvoerbaar is geworden, en in elk geval binnen de termijn van 36 maanden na de definitieve buitengebruikstelling die artikel 5.17.4.2.13, §3, VLAREM II oplegt.
Indien de verwijdering technisch onmogelijk is, wordt de houder binnen dezelfde termijn, na lediging en reiniging, opgevuld met een geschikt inert materiaal.
Een afschrift van het attest van buitengebruikstelling, reiniging en verwijdering of opvulling wordt uiterlijk dertig dagen na de uitvoering aan het college bezorgd.
3. Hand- en rugspuitapparatuur
Voor de toepassing van gewasbeschermingsmiddelen wordt uitsluitend gebruikgemaakt van hand- en rugspuitapparatuur.
Het vullen en reinigen gebeurt op de behandelde teeltoppervlakte of op een daarvoor geschikte plaats met opvangvoorziening. Het vullen of reinigen op een verharde oppervlakte zonder opvang is verboden.
Restvloeistoffen en verontreinigd spoelwater mogen alleen op de behandelde teelt worden toegepast wanneer dit gebeurt binnen de toelatings-, gebruiks- en doseringsvoorwaarden van het betrokken product. In alle andere gevallen worden zij opgevangen en overeenkomstig de toepasselijke regelgeving hergebruikt, behandeld of afgevoerd.
Iedere andere rechtstreekse of onrechtstreekse lozing in de bodem, de openbare riolering, een regenwaterafvoer, een gracht, oppervlaktewater of grondwater is verboden.
4. Opslag onder rubriek 17.4
De gezamenlijke opslag onder rubriek 17.4 is beperkt tot maximaal 5.000 kilogram of 5.000 liter gevaarlijke producten in individuele verpakkingen van maximaal 30 kilogram of 30 liter. Deze hoeveelheid vormt het plafond van rubriek 17.4. Elke overschrijding brengt de opslag buiten die rubriek en vergt een nieuwe vergunningsaanvraag. Producten met gevarenpictogram GHS01 zijn uitgesloten.
De opslag vindt uitsluitend plaats in de op het uitvoeringsplan aangeduide zone OGPKV. Vloeibare producten en fytoproducten worden in een geschikte veiligheidskast of boven aangepaste lekopvang opgeslagen. Onderling onverenigbare producten worden fysiek van elkaar gescheiden. De opslagzone OGPKV wordt op het terrein duidelijk afgebakend overeenkomstig artikel 5.17.4.1.5, §2, VLAREM II. In de ruimte waar de bedrijfsvoertuigen worden gestald, worden geen producten met gevarenpictogram GHS02 opgeslagen en geen recipiënten geplaatst die benzine bevatten of hebben bevat.
Op de inrichting wordt een actuele inventaris bijgehouden met minstens de productnaam, de aanwezige hoeveelheid, de inhoud van de individuele verpakking, de toepasselijke GHS-pictogrammen en de opslagplaats. De inventaris en de veiligheidsinformatiebladen worden ter beschikking gehouden van de toezichthouder en de hulpdiensten.
5. Stookinstallatie en stikstofparameters
De stookinstallatie wordt maximaal 300 bedrijfsuren per kalenderjaar geëxploiteerd. Het jaarlijkse mazoutverbruik voor de stookinstallatie bedraagt maximaal 15.000 liter.
De stookinstallatie is voorzien van een bedrijfsurenteller. De exploitant registreert per kalenderjaar de afgelezen bedrijfsuren, de brandstofleveringen aan de mazouthouder en het aan de stookinstallatie toegewezen mazoutverbruik. Wanneer uit dezelfde houder ook brandstof wordt afgenomen voor de verwarming van de woning, wordt die afname afzonderlijk bepaald op grond van een tussenmeter of van een gemotiveerde en verifieerbare verdeelsleutel. Deze gegevens worden gedurende minstens vijf jaar op de inrichting ter beschikking gehouden van de toezichthouder.
6. Brandbestrijding en bluswateropvang
De exploitant organiseert de brandbestrijding, de brandbestrijdingsmiddelen en de opvang van verontreinigd bluswater overeenkomstig artikel 4.1.12.1, §1, VLAREM II en volgens de code van goede praktijk, en raadpleegt daarbij de bevoegde hulpverleningszone.
Het advies of het verslag van de hulpverleningszone wordt op de inrichting ter beschikking gehouden van de toezichthouder, samen met de inventaris en de veiligheidsinformatiebladen bedoeld in voorwaarde 4.
Opmerking
De opgesomde algemene en sectorale milieuvoorwaarden zijn louter indicatief weergegeven. De exploitant wordt steeds geacht de meest actuele versie van alle toepasselijke bepalingen van VLAREM II na te leven.
De integrale en geconsolideerde tekst van VLAREM II kan worden geraadpleegd via de Vlaamse Navigator Milieuwetgeving van EMIS/VITO: https://navigator.emis.vito.be.
Bespreking adviezen
Het Agentschap voor Natuur en Bos
Overeenkomstig artikel 37, §12, 2°, van het Omgevingsvergunningsbesluit werd het Agentschap voor Natuur en Bos om advies verzocht, gelet op de ligging van de inrichting binnen 750 meter van habitatrichtlijngebied.
Het Agentschap voor Natuur en Bos besloot op datum van 17 maart 2026 geen advies te verlenen. De adviesinstantie werd opnieuw geraadpleegd bij de voorliggende projectinhoudversie PIV5. De adviesinstantie bekrachtigde haar eerdere standpunt om geen advies te verlenen. Dit werd als volgt gemotiveerd: geen effect op VEN of SBZ.
Er waren geen andere adviesinstanties verplicht te raadplegen op grond van titel 3, hoofdstuk 6, afdeling 3, van het Omgevingsvergunningsbesluit.
IGEAN
IGEAN verleende op datum van 5 juni 2026 een ongunstig advies. Het advies van IGEAN is een voorlopig ongunstig advies. IGEAN is geen verplicht te raadplegen adviesinstantie in de zin van titel 3, hoofdstuk 6, afdeling 3 van het omgevingsvergunningsbesluit. Het advies dient ter voorbereiding van dit verslag en bindt het college niet. Een afwijking van het advies moet wel afzonderlijk en concreet worden gemotiveerd.
Dit onderdeel behandelt achtereenvolgens de indieningstermijn en de kwalificatie van de aanvraag, de stedenbouwkundige beoordelingsvragen die IGEAN opwerpt, en de beoordeling van de aanvullingen in projectinhoudversie . De bespreking van het advies bevat de voorgestelde bijzondere milieuvoorwaarden.
Indieningstermijn en kwalificatie van de aanvraag
Standpunt van IGEAN
IGEAN gaat ervan uit dat de milieuvergunning van 22 augustus 2005 gold tot en met 22 augustus 2025. De hernieuwingsaanvraag werd ingediend op 18 augustus 2025. IGEAN besluit daaruit dat de aanvraag laattijdig werd ingediend.
Bespreking door GOA
De aanvraag wordt gekwalificeerd als een hernieuwing van de bestaande ingedeelde inrichting of activiteit, gecombineerd met een verandering. De vóór 22 augustus 2025 vergunde toestand mocht op grond van artikel 394/2, §4 verder worden geëxploiteerd. Het gevolg dat de aanvraag haar kwalificatie als hernieuwing zou verliezen omdat zij minder dan twaalf maanden vóór de einddatum werd ingediend, wordt niet bijgetreden, en wordt door IGEAN zelf niet doorgetrokken.
Dit wordt hieronder gemotiveerd.
I. de aanvraag is te kwalificeren als een hernieuwing en niet als een nieuwe aanvraag
Artikel 70, §1, eerste lid van het Omgevingsvergunningsdecreet bepaalt dat de hernieuwing van een omgevingsvergunning van bepaalde duur op zijn vroegst 24 maanden vóór de einddatum kan worden aangevraagd. De bepaling legt uitsluitend het vroegste indieningsmoment vast en bevat geen uiterste indieningstermijn. Het tweede lid regelt uitsluitend het recht om na de einddatum verder te exploiteren in afwachting van een definitieve beslissing. Het bepaalt niet welke aanvragen als hernieuwing kwalificeren. Het Grondwettelijk Hof bevestigt die opbouw in het arrest nr. 123/2025 van 25 september 2025.
Op 18 augustus 2025 was de bestaande milieuvergunning nog geldig. Op het ogenblik van de indiening lag bijgevolg een bestaande, vergunde inrichting voor. Aan het criterium uit de door IGEAN aangehaalde rechtspraak is voldaan. Het arrest van de Raad voor Vergunningsbetwistingen van 3 oktober 2024, nr. RvVb-A-2425-0089, leidt niet tot een andere conclusie: in die zaak was de vergunning reeds vervallen vóórdat de aanvraag werd ingediend, terwijl de aanvraag hier vier dagen vóór het verstrijken werd ingediend.
II. De exploitatie mocht worden voortgezet
Artikel 394/2, §4 van het Omgevingsvergunningsdecreet bepaalt dat, in afwijking van artikel 70, §1, tweede lid, ingedeelde inrichtingen of activiteiten die stikstofemissies veroorzaken na de einddatum verder mogen worden geëxploiteerd in afwachting van een definitieve beslissing over een hernieuwingsaanvraag, op voorwaarde dat die aanvraag uiterlijk vóór de einddatum werd ingediend. De inrichting omvat een mazoutgestookte stookinstallatie met een totaal nominaal thermisch ingangsvermogen van 1.163 kW en veroorzaakt stikstofoxide-emissies. IGEAN past op deze aanvraag zelf het beoordelingskader stationaire bronnen toe. De aanvraag werd vóór de einddatum ingediend. Anders dan de verlengingsregeling van §1 is §4 niet beperkt tot vergunningstermijnen die verstrijken in 2021 tot en met 2024. De bepaling bleef ongewijzigd na het voormelde arrest nr. 123/2025.
Artikel 394/2, §4 bevestigt bovendien de voorgaande lezing. De bepaling veronderstelt noodzakelijk dat een aanvraag die minder dan twaalf maanden, maar uiterlijk vóór de einddatum wordt ingediend, een hernieuwingsaanvraag blijft. Een andere lezing zou de bepaling haar nuttige werking ontnemen.
Het voortzettingsrecht heeft uitsluitend betrekking op de exploitatie zoals die vóór de einddatum was vergund. Het vormt geen toelating om de aangevraagde veranderingen of uitbreidingen reeds uit te voeren, en het dekt geen stedenbouwkundige handelingen.
Stedenbouwkundige beoordeling
Standpunt van IGEAN
IGEAN werpt geen concreet stedenbouwkundig bezwaar op. Het advies herinnert aan artikel 7, §2 van het Omgevingsvergunningsdecreet en aan artikel 5.3.1 van het DABM, en legt de beoordeling van het stedenbouwkundige aspect uitdrukkelijk bij de gemeentelijke omgevingsambtenaar.
Bespreking door GOA
I. Geen automatisch stedenbouwkundig luik. Artikel 7, §2 van het Omgevingsvergunningsdecreet verplicht slechts tot een gezamenlijke aanvraag wanneer het project ook vergunningsplichtige stedenbouwkundige handelingen omvat die onlosmakelijk met de exploitatie verbonden zijn. Er moet bijgevolg eerst concreet worden vastgesteld welke stedenbouwkundige handeling wordt uitgevoerd of geregulariseerd. De loutere hernieuwing of verandering van ingedeelde activiteiten vormt op zichzelf geen stedenbouwkundige handeling. Dat geldt ongeacht of de aanvraag als hernieuwing dan wel als nieuwe aanvraag wordt gekwalificeerd.
II. De loods wordt vergund geacht. De aangevraagde rubrieken nl. 15.1.1, 17.3.2.1.1.1.b, 17.4 en 43.1.2.b bevinden zich alle binnen één bestaande bedrijfsloods. Die loods is weergegeven op de plannen die behoren bij de stedenbouwkundige vergunningsdossiers van 1968, 1972, 1973 en 1976, en is zichtbaar op de historische luchtfoto’s van de site. Het gewestplan Antwerpen trad in werking op 9 november 1979. De loods bestond dus reeds vóór de eerste inwerkingtreding van het gewestplan en valt binnen het toepassingsgebied van artikel 4.2.14, §2 VCRO. Dat vermoeden kan uitsluitend worden tegengesproken door een proces-verbaal of een niet-anoniem bezwaarschrift, opgesteld binnen een termijn van vijf jaar na het optrekken van de constructie. Geen van beide is bekend. De loods wordt bijgevolg vergund geacht.
Het ontbreken van een opname in het vergunningenregister doet daaraan geen afbreuk. Het vermoeden van vergunning ontstaat van rechtswege op grond van artikel 4.2.14 VCRO. De opname in het vergunningenregister heeft een declaratieve en informatieve functie en vormt geen geldigheidsvoorwaarde.
III. De aanvraag omvat geen stedenbouwkundige handelingen. De aanvraag omvat geen uitbreiding of verbouwing van de loods, geen bijkomende verharding, geen wijziging van het bouwvolume en geen wijziging van het gebruik van gronden buiten het gebouw. De opslag van mazout, van kunstmeststoffen en van fytoproducten en het verdere gebruik van de bestaande stookinstallatie staan rechtstreeks in functie van het bestaande glastuinbouwbedrijf en brengen geen wijziging van de hoofdfunctie van de loods mee. Het verhogen van de milieutechnische opslagcapaciteit binnen dezelfde bedrijfsfunctie vormt op zichzelf geen vergunningsplichtige functiewijziging. De nieuwe bovengrondse houder van 13.000 liter, op het uitvoeringsplan aangeduid als OGP 1, wordt binnen de bestaande constructie opgesteld en vergt geen afzonderlijke stedenbouwkundige handeling. Het verstrijken van de milieuvergunning doet ten slotte geen afbreuk aan het vergund geachte karakter van de loods: de stedenbouwkundige vergunningstoestand van een constructie vervalt niet doordat de vergunning voor de exploitatie van de daarin aanwezige ingedeelde inrichting verstrijkt.
IV. Verkoopactiviteit. De verkoop aan particulieren is geen ingedeelde activiteit en de aanvraag omvat geen luik kleinhandelsactiviteiten. Zij vormt bijgevolg geen voorwerp van deze beslissing. Over het stedenbouwkundig vergunde karakter van de publiek toegankelijke verkoopruimte en over een eventuele functiewijziging spreekt deze beslissing zich niet uit.
V. Ruimtelijke beoordeling van de verdere exploitatie. De ingedeelde activiteiten vinden volledig plaats binnen een vergund geachte landbouwloods en verharding, behoren functioneel tot het bestaande glastuinbouwbedrijf en veroorzaken geen bijkomende ruimtelijke inname of ruimtelijke hinder. De verdere exploitatie is verenigbaar met de bestemming agrarisch gebied en landschappelijk waardevol agrarisch gebied en met de goede ruimtelijke ordening. Er is geen strijdigheid in de zin van artikel 5.3.1, 2°, b) of c) van het DABM. Het toevoegen van een luik stedenbouwkundige handelingen is niet vereist.
Beoordeling van de aanvullingen in projectinhoudversie 5
Standpunt van IGEAN
IGEAN stelt dat de eerdere PIV onvoldoende was uitgewerkt om een beoordeling mogelijk te maken.
Bespreking door GOA
Projectinhoudversie 5 beantwoordt de aandachtspunten uit het advies van IGEAN. De nog niet beschikbare attesten hebben uitsluitend betrekking op handelingen die pas na de vergunning kunnen worden gesteld, namelijk de controle bij plaatsing van de nieuwe houder en de definitieve buitengebruikstelling van de oude houder. IGEAN adviseert voor beide om die aspecten in de bijzondere vergunningsvoorwaarden te verankeren. Dat advies wordt gevolgd.
I. Mobiliteit. Addendum E1 geeft een overzicht van de personeels-, leverings- en klantenbewegingen. Alle bewegingen vinden plaats tijdens de daguren en zijn over de week gespreid. Laden, lossen en parkeren worden op eigen terrein georganiseerd. Gelet op de beperkte schaal en de spreiding wordt geen aanzienlijke mobiliteitshinder verwacht. Bijzondere mobiliteitsvoorwaarden zijn niet noodzakelijk.
II. Ondergrondse houder van 40.000 liter. De houder maakt geen deel meer uit van de aangevraagde gecoördineerde toestand en wordt definitief buiten gebruik gesteld en verwijderd. Het keuringsverslag van 27 januari 2025 kent aan de houder een oranje beoordeling toe. De houder werd dicht bevonden en er werden geen lekken of lekaanwijzingen vastgesteld. De opmerkingen betreffen het lekdetectiesysteem en het ontbreken van het conformiteitsattest en van eerdere keuringsrapporten. Het verslag stelt geen bodemverontreiniging vast. Een keuring van de houder vormt op zichzelf evenwel geen bodemonderzoek en levert daarover geen sluitende vaststelling op. Een attest van reiniging en verwijdering kan pas na de effectieve buitengebruikstelling worden opgesteld. Overeenkomstig het advies van IGEAN wordt dit door een bijzondere milieuvoorwaarde verzekerd.
III. Bovengrondse houder van 1.200 liter en verwijderde houder van 1.000 liter. De vergunning van 2005 vermeldt een houder van 1.200 liter met verdeelinstallatie. Addendum C4 vermeldt dat die nooit werd geplaatst. Het attest van 1 oktober 2025 documenteert de lediging, reiniging en afvoer van een bovengrondse houder van 1.000 liter. Geen van beide houders, noch de verdeelinstallatie, maakt deel uit van de aangevraagde gecoördineerde toestand. Rubriek 17.3.9.1.1 wordt niet hernieuwd. Zij mogen op grond van de voorliggende vergunning niet opnieuw worden geëxploiteerd.
IV. Nieuwe houder van 13.000 liter. Het betreft een bovengrondse, dubbelwandige houder met permanent lekdetectiesysteem, waarvoor de inkuipingsverplichting van artikel 5.17.4.3.1, §1 VLAREM II niet geldt. Aangezien de houder nog moet worden geplaatst, kan nog geen conformiteitsattest van de controle bij plaatsing worden voorgelegd. De technische kenmerken en de maximale opslagcapaciteit zijn gekend. Het attest betreft uitsluitend de correcte uitvoering. Overeenkomstig het advies van IGEAN wordt de ingebruikname door een bijzondere milieuvoorwaarde afhankelijk gemaakt van een conforme controle.
V. Gewasbeschermingsmiddelen en spoelwater. Uit het aangepaste addendum E3 blijkt dat uitsluitend hand- en rugspuitapparatuur wordt gebruikt. Er zijn geen grote mobiele spuittoestellen, geen afzonderlijke reinigingsinstallaties en geen installaties voor de behandeling van aanzienlijke hoeveelheden restvloeistoffen aanwezig. De rubrieken 2.3.3 en 5.6 zijn niet van toepassing. Het risico op puntverontreiniging bij vullen en reinigen wordt door een bijzondere milieuvoorwaarde beheerst.
VI. Stookinstallatie en emissiemeting. Projectinhoudversie 5 bevat het gecorrigeerde emissiemeetrapport van LOVAP met rapportnummer B25.R9622.00001C van 1 juni 2026, dat de voorgaande versies vervangt. De correcties betreffen het brandstoftype en het vermogen. De metingen van 28 maart 2025 tonen geen overschrijding van de toepasselijke emissiegrenswaarden. Addendum R43 werd overeenkomstig aangepast. De opmerkingen van IGEAN zijn hiermee verholpen. De emissiegrenswaarden, meet- en onderhoudsverplichtingen van VLAREM II blijven rechtstreeks van toepassing.
VII. Stikstof en biodiversiteit. Het aangepaste addendum E6 bevat een berekening met de actuele versie van de impactscoretool: 0,003 % voor vermesting en 0,017 % voor verzuring, beide onder de drempelwaarde van 1 %. Daarmee is tegemoetgekomen aan de opmerking dat de eerdere berekening op verouderde databronnen steunde. De inrichting is gelegen op ongeveer 607 meter van het habitatrichtlijngebied "Bos- en heidegebieden ten oosten van Antwerpen" (SBZ-H BE2100017) en van het VEN/IVON-gebied "De Bossen van de Lauwerijk- en Lachenenbeek". De impactscores voor vermesting en verzuring bedragen respectievelijk 0,003 % en 0,017 % en blijven onder de drempelwaarde van 1 %. De verscherpte natuurtoets toont dat de bijdrage ter hoogte van de meest kritische actuele natuurwaarde in het VEN-gebied 0,00185 % van de kritische depositiewaarde bedraagt. Op grond van deze gegevens besluit de voortoets dat een passende beoordeling in de zin van artikel 36ter, §3, van het Natuurdecreet niet vereist is.
Het Agentschap voor Natuur en Bos verleent geen afzonderlijk advies omdat geen effecten op een speciale beschermingszone worden verwacht. Er is geen betekenisvolle aantasting in de zin van artikel 36ter en geen onvermijdbare en onherstelbare schade in de zin van artikel 26bis van het Natuurdecreet.
VIII. Opslag onder rubriek 17.4. De aanvraag omvat de hernieuwing en uitbreiding tot een maximale gezamenlijke opslagcapaciteit van 5.000 kg/l gevaarlijke producten in kleine verpakkingen, in de opslagzone OGPKV. Voor de omvang van de vergunning is de gecoördineerde rubriekentabel bepalend. De vermelding in addendum C6 van een jaarlijks gebruik van ongeveer 5.000 kg heeft een andere betekenis. Rubriek 17.4 beperkt de opslag van rechtswege tot verpakkingen van maximaal 30 liter of 30 kilogram en sluit producten met gevarenpictogram GHS01 uit. Een voor twintig jaar vastgelegde productlijst is niet vereist. De aangevraagde opslag is voldoende afgebakend en kan worden vergund, met een bijzondere milieuvoorwaarde inzake inventaris en veiligheidsinformatiebladen.
IX. Niet-hernieuwde rubrieken. Addendum C4 geeft drie rubrieken uit de vergunning van 2005 op als niet meer van toepassing: rubriek 3.2 (het geloosde debiet van ongeveer 90 m³ per jaar huishoudelijk afvalwater is niet ingedeeld), rubriek 17.3.9.1.1 en rubriek 17.3.2.1 (opgenomen in rubriek 17.4). Zij maken geen deel uit van de gecoördineerde toestand.
Besluit
De aanvraag is een hernieuwing van de bestaande ingedeelde inrichting of activiteit, gecombineerd met een verandering. Zij omvat geen vergunningsplichtige stedenbouwkundige handelingen die onlosmakelijk met de exploitatie verbonden zijn, zodat een luik stedenbouwkundige handelingen niet vereist is.
Onder naleving van de algemene en sectorale milieuvoorwaarden en van de bijzondere milieuvoorwaarden die verder in dit verslag worden voorgesteld, kunnen de risico’s en de hinder voor mens en milieu tot een aanvaardbaar niveau worden beperkt. Het voorlopig ongunstige advies van IGEAN had betrekking op projectinhoudversie 2 en wordt op grond van het voorgaande niet langer bijgetreden. De aanvraag kan gunstig worden beoordeeld.
Argumentatie
Onderzoek naar de kwalificatie
De aanvraag wordt beschouwd als een hernieuwing van een milieuvergunning, gecombineerd met een verandering van de ingedeelde inrichting of activiteit.
Bij besluit van 22 augustus 2005 verleende het college van burgemeester en schepenen een milieuvergunning van klasse 2 voor de exploitatie van het glastuinbouwbedrijf.
Het advies van IGEAN gaat uit van een einddatum op 22 augustus 2025. Dat standpunt wordt niet gevolgd. Artikel 70, §1, eerste lid, van het Omgevingsvergunningsdecreet bepaalt uitsluitend dat de hernieuwing ten vroegste vierentwintig maanden vóór de einddatum kan worden aangevraagd. Die bepaling legt geen uiterste indieningstermijn vast. Het tweede lid regelt enkel het recht om na de einddatum verder te exploiteren en bepaalt niet welke aanvragen als hernieuwing kwalificeren. Voor de uitvoerige weerlegging, met inbegrip van de toepassing van artikel 394/2, §4, van hetzelfde decreet, wordt verwezen naar de bespreking van het advies van IGEAN hierboven. Op het ogenblik van de indiening, vier dagen vóór de einddatum, was de inrichting nog vergund.
Conclusie gemeentelijk omgevingsambtenaar
Op basis van de bovenvermelde motivering wordt de aanvraag voorwaardelijk gunstig geadviseerd mits te voldoen aan volgende voorwaarden:
De bijzondere milieuvoorwaarden zoals opgenomen in de conclusie van de gemeentelijke omgevingsambtenaar worden integraal opgelegd en maken deel uit van deze vergunning:
● controle vóór ingebruikname van de nieuwe mazouthouder van 13.000 liter;
● definitieve buitengebruikstelling en verwijdering of reglementaire opvulling van de ondergrondse houder van 40.000 liter;
● uitsluitend gebruik van hand- en rugspuitapparatuur en gecontroleerd beheer van restvloeistoffen en spoelwater;
● opslag onder rubriek 17.4 uitsluitend in zone OGPKV, met lekopvang, inventaris en veiligheidsinformatiebladen;
● de opslagzone OGPKV wordt op het terrein duidelijk afgebakend overeenkomstig artikel 5.17.4.1.5, §2, VLAREM II. In de ruimte waar de bedrijfsvoertuigen worden gestald, worden geen producten met gevarenpictogram GHS02 opgeslagen en geen recipiënten geplaatst die benzine bevatten of hebben bevat.
● maximaal 300 bedrijfsuren en maximaal 15.000 liter mazoutverbruik per kalenderjaar voor de stookinstallatie.
● De exploitant organiseert de brandbestrijding, de brandbestrijdingsmiddelen en de opvang van verontreinigd bluswater overeenkomstig artikel 4.1.12.1, §1, VLAREM II en volgens de code van goede praktijk, en raadpleegt daarbij de bevoegde hulpverleningszone. Het advies of het verslag van de hulpverleningszone wordt op de inrichting ter beschikking gehouden van de toezichthouder, samen met de inventaris en de veiligheidsinformatiebladen bedoeld in voorwaarde 4.
Opmerking
De opgesomde algemene en sectorale milieuvoorwaarden kunnen worden teruggevonden in Vlarem II. Deze zijn evenwel louter indicatief; bij wijzigingen van Vlarem II wordt de exploitant immers steeds geacht de meest actuele versie van de van toepassing zijnde bepalingen na te leven.
De integrale en geconsolideerde tekst van Vlarem II is te raadplegen op de Vlaamse
Navigator Milieuwetgeving van LNE, via onderstaande link: https://navigator.emis.vito.be.
Conclusie college van burgemeester en schepenen
Het college sluit zich aan bij het advies van de gemeentelijke omgevingsambtenaar en maakt dit zich eigen.
BESLUIT:
Artikel 1
Het college van burgemeester en schepenen verleent aan de heer Paul De Deckers een voorwaardelijke omgevingsvergunning voor de hernieuwing en verandering van de ingedeelde inrichting of activiteit van het glastuinbouwbedrijf, gelegen aan de Lintsesteenweg 601, 2540 Hove, kadastraal bekend als Hove, afdeling 1, sectie C, nummers 7A2, 7B2 en 7W.
De vergunning wordt, cf. OVD art. 68, voor onbepaalde duur verleend voor volgende gecoördineerde toestand:
Rubriek | Omschrijving | Totale hoeveelheid |
15.1.1° | Het stallen van 5 bedrijfsvoertuigen (Hernieuwing) | 5 voertuigen |
17.3.2.1.1.1°b) | Opslag van 13.000 L (10.829 kg) mazout (Verandering) | 10,829 ton |
17.4. | Opslag van max. 5.000 kg/L gevaarlijke producten in kleine verpakkingen (Verandering) | 5000 kg |
43.1.2°b) | Een stookinstallatie met een totaal nominaal thermisch ingangsvermogen van van 1.163 kW op mazout (Hernieuwing) | 1163 kW |
De lozing onder de vroegere rubriek 3.2, de ondergrondse mazouthouder van 40.000 liter, de bovengrondse mazouthouder van 1.200 liter en de bijbehorende verdeelinstallatie maken geen deel uit van de vergunde gecoördineerde toestand.
Deze vergunning regulariseert geen stedenbouwkundige handelingen, constructies, verhardingen of functies die geen deel uitmaken van de aanvraag.
Artikel 2
Volgende voorwaarden en/of lasten worden opgelegd:
Algemene en sectorale milieuvoorwaarden
Op de exploitatie zijn de algemene en sectorale milieuvoorwaarden van VLAREM II van toepassing in hun actuele en geconsolideerde versie, in het bijzonder:
● deel 4 van VLAREM II;
● hoofdstuk 5.15 voor de voertuigstalling;
● hoofdstuk 5.17 voor de opslag van gevaarlijke producten;
● hoofdstuk 5.43 voor de stookinstallatie.
Bijzondere milieuvoorwaarden
De bijzondere milieuvoorwaarden zoals opgenomen in de conclusie van de gemeentelijke omgevingsambtenaar worden integraal opgelegd en maken deel uit van deze vergunning:
● controle vóór ingebruikname van de nieuwe mazouthouder van 13.000 liter;
● definitieve buitengebruikstelling en verwijdering of reglementaire opvulling van de ondergrondse houder van 40.000 liter;
● uitsluitend gebruik van hand- en rugspuitapparatuur en gecontroleerd beheer van restvloeistoffen en spoelwater;
● opslag onder rubriek 17.4 uitsluitend in zone OGPKV, met lekopvang, inventaris en veiligheidsinformatiebladen;
● de opslagzone OGPKV wordt op het terrein duidelijk afgebakend overeenkomstig artikel 5.17.4.1.5, §2, VLAREM II. In de ruimte waar de bedrijfsvoertuigen worden gestald, worden geen producten met gevarenpictogram GHS02 opgeslagen en geen recipiënten geplaatst die benzine bevatten of hebben bevat.
● maximaal 300 bedrijfsuren en maximaal 15.000 liter mazoutverbruik per kalenderjaar voor de stookinstallatie.
● De exploitant organiseert de brandbestrijding, de brandbestrijdingsmiddelen en de opvang van verontreinigd bluswater overeenkomstig artikel 4.1.12.1, §1, VLAREM II en volgens de code van goede praktijk, en raadpleegt daarbij de bevoegde hulpverleningszone. Het advies of het verslag van de hulpverleningszone wordt op de inrichting ter beschikking gehouden van de toezichthouder, samen met de inventaris en de veiligheidsinformatiebladen bedoeld in voorwaarde 4.
Opmerking
De opgesomde algemene en sectorale milieuvoorwaarden kunnen worden teruggevonden in Vlarem II. Deze zijn evenwel louter indicatief; bij wijzigingen van Vlarem II wordt de exploitant immers steeds geacht de meest actuele versie van de van toepassing zijnde bepalingen na te leven.
De integrale en geconsolideerde tekst van Vlarem II is te raadplegen op de Vlaamse
Navigator Milieuwetgeving van LNE, via onderstaande link: https://navigator.emis.vito.be.
Algemene voorwaarden
Verval van de omgevingsvergunning – uittreksel uit het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning
Artikel 99. § 1. De omgevingsvergunning vervalt van rechtswege in elk van de volgende gevallen:
1° als de verwezenlijking van de vergunde stedenbouwkundige handelingen niet wordt gestart binnen de twee jaar na het verlenen van de definitieve omgevingsvergunning;
2° als het uitvoeren van de vergunde stedenbouwkundige handelingen meer dan drie opeenvolgende jaren wordt onderbroken;
3° als de vergunde gebouwen niet winddicht zijn binnen drie jaar na de aanvang van de vergunde stedenbouwkundige handelingen;
4° als de exploitatie van de vergunde activiteit of inrichting niet binnen vijf jaar na het verlenen van de definitieve omgevingsvergunning aanvangt.
Als de omgevingsvergunning uitdrukkelijk melding maakt van de verschillende fasen van het bouwproject, worden de termijnen van twee of drie jaar, vermeld in het eerste lid, gerekend per fase. Voor de tweede fase en de volgende fasen worden de termijnen van verval bijgevolg gerekend vanaf de aanvangsdatum van de fase in kwestie.
§ 2. De omgevingsvergunning voor de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit vervalt van rechtswege in elk van de volgende gevallen:
1° als de exploitatie van de vergunde activiteit of inrichting meer dan vijf opeenvolgende jaren wordt onderbroken;
2° als de ingedeelde inrichting vernield is wegens brand of ontploffing veroorzaakt ten gevolge van de exploitatie;
3° als de exploitatie op vrijwillige basis volledig en definitief wordt stopgezet overeenkomstig de voorwaarden en de regels, vermeld in het decreet van 9 maart 2001 tot regeling van de vrijwillige, volledige en definitieve stopzetting van de productie van alle dierlijke mest, afkomstig van een of meerdere diersoorten, en de uitvoeringsbesluiten ervan. De Vlaamse Regering kan nadere regels bepalen voor de inkennisstelling van de stopzetting.
§ 3. Als de gevallen, vermeld in paragraaf 1, betrekking hebben op een gedeelte van het bouwproject, vervalt de omgevingsvergunning alleen voor het niet-afgewerkte gedeelte van een bouwproject. Een gedeelte is eerst afgewerkt als het, in voorkomend geval na de sloping van de niet-afgewerkte gedeelten, kan worden beschouwd als een afzonderlijke constructie die voldoet aan de bouwfysische vereisten.
Als de gevallen, vermeld in paragraaf 1 of 2, alleen betrekking hebben op een gedeelte van de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit, vervalt de omgevingsvergunning alleen voor dat gedeelte.
Artikel 100. De omgevingsvergunning blijft onverkort geldig als de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit van een project door een wijziging van de indelingslijst van klasse 1 naar klasse 2 overgaat of omgekeerd.
In geval de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit van een project door een wijziging van de indelingslijst van klasse 1 of 2 naar klasse 3 overgaat, geldt de vergunning als aktename en blijven de bijzondere voorwaarden gelden.
Artikel 101. De termijnen van twee, drie of vijf jaar, vermeld in artikel 99, worden geschorst zolang een beroep tot vernietiging van de omgevingsvergunning aanhangig is bij de Raad voor Vergunningsbetwistingen, overeenkomstig hoofdstuk 9 behoudens indien de vergunde handelingen in strijd zijn met een vóór de definitieve uitspraak van de Raad van kracht geworden ruimtelijk uitvoeringsplan. In dat laatste geval blijft het eventuele recht op planschadevergoeding desalniettemin behouden.
De termijnen van twee of drie jaar, vermeld in artikel 99, worden geschorst tijdens het uitvoeren van de archeologische opgraving, omschreven in de bekrachtigde archeologienota overeenkomstig artikel 5.4.8 van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013 en in de bekrachtigde nota overeenkomstig artikel 5.4.16 van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013, met een maximumtermijn van een jaar vanaf de aanvangsdatum van de archeologische opgraving.
De termijnen van twee of drie jaar, vermeld in artikel 99, worden geschorst tijdens het uitvoeren van de bodemsaneringswerken van een bodemsaneringsproject waarvoor de OVAM overeenkomstig artikel 50, § 1, van het Bodemdecreet van 27 oktober 2006 een conformiteitsattest heeft afgeleverd, met een maximumtermijn van drie jaar vanaf de aanvangsdatum van de bodemsaneringswerken.
De termijnen van twee of drie jaar, vermeld in artikel 99, worden geschorst zolang een bekrachtigd stakingsbevel, zoals vermeld in titel VI, niet wordt ingetrokken, hetzij niet wordt opgeheven bij een in kracht van gewijsde gegane beslissing. De schorsing eindigt van rechtswege wanneer geen opheffing van het stakingsbevel wordt gevorderd of geen intrekking wordt gedaan binnen een termijn van twee jaar vanaf de bekrachtiging van het stakingsbevel.
Beroepsmogelijkheden – uittreksel uit het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning
Artikel 52. De Vlaamse Regering is bevoegd in laatste administratieve aanleg voor beroepen tegen uitdrukkelijke of stilzwijgende beslissingen van de deputatie in eerste administratieve aanleg.
De deputatie is voor haar ambtsgebied bevoegd in laatste administratieve aanleg voor beroepen tegen uitdrukkelijke of stilzwijgende beslissingen van het college van burgemeester en schepenen in eerste administratieve aanleg.
Artikel 53. Het beroep kan worden ingesteld door:
1° de vergunningsaanvrager, de vergunninghouder of de exploitant;
2° het betrokken publiek;
3° de leidend ambtenaar van de adviesinstanties of bij zijn afwezigheid zijn gemachtigde als de adviesinstantie tijdig advies heeft verstrekt of als aan hem ten onrechte niet om advies werd verzocht;
4° het college van burgemeester en schepenen als het tijdig advies heeft verstrekt of als het ten onrechte niet om advies werd verzocht;
5° de leidend ambtenaar van het Departement Leefmilieu, Natuur en Energie of bij zijn afwezigheid zijn gemachtigde;
6° de leidend ambtenaar van het Departement Ruimtelijke Ordening, Woonbeleid en Onroerend Erfgoed of bij zijn afwezigheid zijn gemachtigde.
Artikel 54. Het beroep wordt op straffe van onontvankelijkheid ingesteld binnen een termijn van dertig dagen die ingaat:
1° de dag na de datum van de betekening van de bestreden beslissing voor die personen of instanties aan wie de beslissing betekend wordt;
2° de dag na het verstrijken van de beslissingstermijn als de omgevingsvergunning in eerste administratieve aanleg stilzwijgend geweigerd wordt;
3° de dag na de eerste dag van de aanplakking van de bestreden beslissing in de overige gevallen.
Artikel 55. Het beroep schorst de uitvoering van de bestreden beslissing tot de dag na de datum van de betekening van de beslissing in laatste administratieve aanleg.
In afwijking van het eerste lid werkt het beroep niet schorsend ten aanzien van:
1° de vergunning voor de verdere exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit waarvoor ten minste twaalf maanden voor de einddatum van de omgevingsvergunning een vergunningsaanvraag is ingediend;
2° de vergunning voor de exploitatie na een proefperiode als vermeld in artikel 69;
3° de vergunning voor de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit die vergunningsplichtig is geworden door aanvulling of wijziging van de indelingslijst.
Artikel 56. Het beroep wordt op straffe van onontvankelijkheid per beveiligde zending ingesteld bij de bevoegde overheid, vermeld in artikel 52.
Degene die het beroep instelt, bezorgt op straffe van onontvankelijkheid gelijktijdig en per beveiligde zending een afschrift van het beroepschrift aan:
1° de vergunningsaanvrager behalve als hij zelf het beroep instelt;
2° de deputatie als die in eerste administratieve aanleg de beslissing heeft genomen;
3° het college van burgemeester en schepenen behalve als het zelf het beroep instelt.
De Vlaamse Regering bepaalt de bewijsstukken die bij het beroep moeten worden gevoegd opdat het op ontvankelijke wijze wordt ingesteld.
Artikel 57. De bevoegde overheid, vermeld in artikel 52, of de door haar gemachtigde ambtenaar onderzoekt het beroep op zijn ontvankelijkheid en volledigheid.
Als niet alle stukken als vermeld in artikel 56, derde lid, bij het beroep zijn gevoegd, kan de bevoegde overheid of de door haar gemachtigde ambtenaar de beroepsindiener per beveiligde zending vragen om binnen een termijn van veertien dagen die ingaat de dag na de verzending van het vervolledigingsverzoek, de ontbrekende gegevens of documenten aan het beroep toe te voegen.
Als de beroepsindiener nalaat de ontbrekende gegevens of documenten binnen de termijn, vermeld in het tweede lid, aan het beroep toe te voegen, wordt het beroep als onvolledig beschouwd.
Beroepsmogelijkheden – regeling van het besluit van de Vlaamse Regering decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning
Het beroepschrift bevat op straffe van onontvankelijkheid:
1° de naam, de hoedanigheid en het adres van de beroepsindiener;
2° de identificatie van de bestreden beslissing en van het onroerend goed, de inrichting of exploitatie die het voorwerp uitmaakt van die beslissing;
3° als het beroep wordt ingesteld door een lid van het betrokken publiek:
een omschrijving van de gevolgen die hij ingevolge de bestreden beslissing ondervindt of waarschijnlijk ondervindt;
b) het belang dat hij heeft bij de besluitvorming over de afgifte of bijstelling van een omgevingsvergunning of van vergunningsvoorwaarden;
4° de redenen waarom het beroep wordt ingesteld.
Het beroepsdossier bevat de volgende bewijsstukken:
1° in voorkomend geval, een bewijs van betaling van de dossiertaks;
2° de overtuigingsstukken die de beroepsindiener nodig acht;
3° in voorkomend geval, een inventaris van de overtuigingsstukken, vermeld in punt 2°.
Als de bewijsstukken, vermeld in het tweede lid, ontbreken, kan hieraan verholpen worden overeenkomstig artikel 57, tweede lid, van het decreet van 25 april 2014.
Het beroepsdossier wordt ingediend met een analoge of een digitale zending.
Het bevoegde bestuur kan bij de beroepsindiener, de vergunningsaanvrager of de overheid die in eerste administratieve aanleg bevoegd is, alle beschikbare informatie en documenten opvragen die nuttig zijn voor het dossier.
De beroepsindiener geeft, op straffe van verval, uitdrukkelijk in zijn beroepschrift aan of hij gehoord wil worden.
Als de vergunningsaanvrager gehoord wil worden, brengt hij het bevoegde bestuur daarvan uitdrukkelijk op de hoogte met een beveiligde zending uiterlijk vijftien dagen nadat hij een afschrift van het beroepschrift als vermeld in artikel 56 van het decreet van 25 april 2014, heeft ontvangen, op voorwaarde dat hij niet de beroepsindiener is.
Mededeling
Deze gegevens kunnen worden opgeslagen in een of meer bestanden. Die bestanden kunnen zich bevinden bij de gemeente, waar u de aanvraag hebt ingediend, bij de provincie, en ook bij de Vlaamse administratie, bevoegd voor de omgevingsvergunning. Ze worden gebruikt voor de behandeling van uw dossier. Ze kunnen ook gebruikt worden voor het opmaken van statistieken en voor wetenschappelijke doeleinden. U hebt het recht om uw gegevens in deze bestanden in te kijken en zo nodig de verbetering ervan aan te vragen.
Register der bekendmakingen
Deze webpagina vormt het openbare register van gemeentelijke reglementen en verordeningen, in overeenstemming met het besluit van de Vlaamse regering van 28 april 2023 betreffende de bekendmakingen en raadpleegbaarheid van besluiten en documenten van het lokale bestuur met betrekking tot de manier waarop ze moeten worden bijgehouden.
Wanneer een publicatie wordt uitgevoerd, zal er een expliciete "bundel" van het document worden opgeslagen. Op dat moment is het document inhoudelijk niet meer aanpasbaar door de gebruiker.
Deze "bundel" bestaat uit:
De inhoud van de publicatie op het moment dat deze werd uitgevoerd.
Een unieke identificatie van de gebruiker die de actie heeft uitgevoerd.
De tijdstempel waarop de actie heeft plaatsgevonden.
Al deze gegevens staan in een aparte publicatie omgeving die beveiligd en toegankelijk is voor een beperkt aantal personen.