BESLUIT ZONDER VISUM VAN HET COLLEGE VAN BURGEMEESTER EN SCHEPENEN
Zitting van maandag 26 januari 2026
Aanwezig: Thierry Lens (burgemeester);Bart Van Couwenberghe, Dave Van den Bergh, Lenn De Cleene (Schepenen);Anke Dehuisser (algemeen directeur); |
Verontschuldigd: Sofie Lemmens (schepen); |
OMV 2025/119 - Wanninckhove 11 - vergunning
Het college van burgemeester en schepenen, in geheime zitting,
Juridische achtergrond
Artikel 56, §2, 7° van het Decreet over het Lokaal Bestuur bepaalt dat het college van burgemeester en schepenen bevoegd is over de beslissingen die een wet, een decreet of een uitvoeringsbesluit uitdrukkelijk aan het college van burgemeester en schepenen voorbehoudt;
Besluit van de Vlaamse Regering van 23 mei 2003 tot bepaling van de handelingen die vrijgesteld zijn van de medewerking van de architect.
De aanvraag wordt getoetst aan de gewestelijke stedenbouwkundige verordening inzake hemelwater, vastgesteld bij Besluit van de Vlaamse Regering van 10 februari 2023, van toepassing sinds 2 oktober 2023 (BS 10 maart 2023).
Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening gecoördineerd bij besluit van de Vlaamse regering van 15 mei 2009 (BS 20 augustus 2009), en latere wijzigingen, hierna genoemd de VCRO en latere wijzigingsdecreten.
Besluit van de Vlaamse Regering van 16 juli 2010 betreffende de meldingsplichtige handelingen ter uitvoering van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening en latere wijzigingen;
Besluit van de Vlaamse Regering tot vaststelling van een gewestelijke stedenbouwkundige verordening inzake hemelwater, tot wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 16 juli 2010 tot bepaling van stedenbouwkundige handelingen waarvoor geen omgevingsvergunning nodig is en tot opheffing van het besluit van de Vlaamse Regering van 5 juli 2013 houdende vaststelling van een gewestelijke stedenbouwkundige verordening inzake hemelwaterputten, infiltratievoorzieningen, buffervoorzieningen en gescheiden lozing van afvalwater en hemelwater.
Decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning en latere wijzigingen;
Besluit van de Vlaamse Regering van 27 november 2015 betreffende de omgevingsvergunning en latere wijzigingen;
Decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid (DABM) + bijlagen en latere wijzigingen;
Besluit van de Vlaamse Regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne (VLAREM II) en latere wijzigingen;
Besluit van de Vlaamse Regering van 16 mei 2014 houdende bijkomende algemene milieuvoorwaarden (VLAREM III) voor GPBV-installaties en latere wijzigingen;
Besluit van de gemeenteraad van 25 juni 2012 betreft de verordening rond het kappen van bomen.
Feiten en context
De aanvraag ingediend door de heer en mevrouw Catoor - Ziuzina wonende Belgiëlei 184/14 te 2018 Antwerpen, werd per beveiligde zending verzonden op 27 september 2025. Deze aanvraag werd ontvangen op 27 september 2025 en vervolledigd op 24 oktober 2025.
De aanvraag werd ontvankelijk en volledig verklaard op 28 oktober 2025.
De aanvraag heeft betrekking op een terrein, gelegen Wanninckhove 11, kadastraal bekend: afdeling 1 sectie B nr. 255L.
Het betreft een aanvraag tot het verbouwen en uitbreiden van de woning én rooien van een loofboom.
De aanvraag omvat:
stedenbouwkundige handelingen
Het college van burgemeester en schepenen heeft deze aanvraag onderzocht, rekening houdend met de terzake geldende wettelijke bepalingen, in het bijzonder met het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning, het decreet houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid, de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening en hun uitvoeringsbesluiten.
Historiek
Adviezen
Milieu dd. 4 december 2025: voorwaardelijk gunstig (zie bijlage)
Agentschap Natuur en Bos Antwerpen dd. 3 november 2025: geen advies
Dienst Integraal Waterbeleid provincie Antwerpen dd. 17 december 2025: geen bezwaar
Gemeentelijk omgevingsambtenaar dd. 13 januari 2026: voorwaardelijk gunstig
Argumentatie
Beschrijving van de aangevraagde stedenbouwkundige handelingen
De aanvraag heeft betrekking op het verbouwen en uitbreiden van de woning en rooien van een loofboom.
Beschrijving van de bouwplaats, de omgeving
Voorliggende aanvraag is gelegen langs Wannickhove, een noord-zuid georiënteerde woonstraat ten zuiden van het gemeentelijk park. Langs deze straat komen enkel vrijstaande eengezinswoningen voor. De kavels hebben een gemiddelde grootte van 800 tot 900 m². De overwegende bouwstijl is een landelijke stijl met één bouwlaag en licht hellend dak zonder, of zadeldak met kamers onder dak. Bij recente verbouwingsdossiers werd ook verbouwing naar woningen met twee lagen en plat dak toegestaan.
Het betreffende perceel is gelegen op de hoek van Wannickhove en Lege Veldkantlaan. Het perceel is bebouwd met een vrijstaande eengezinswoning.
Toetsing aan de voorschriften
Het gevraagde is volgens het gewestplan Antwerpen, goedgekeurd op 3 oktober 1979, gelegen in woongebied.
Volgende voorschriften zijn van toepassing:
De woongebieden zijn bestemd voor wonen, alsmede voor handel, dienstverlening, ambacht en kleinbedrijf voor zover deze taken van bedrijf om redenen van goede ruimtelijke ordening niet in een daartoe aangewezen gebied moeten worden afgezonderd, voor groene ruimten, voor sociaal-culturele inrichtingen, voor openbare nutsvoorzieningen, voor toeristische voorzieningen, voor agrarische bedrijven. Deze bedrijven, voorzieningen en inrichtingen mogen echter maar worden toegestaan voor zover ze verenigbaar zijn met de onmiddellijke omgeving.
Het project is in overeenstemming met de voorschriften van het geldende gewestplan.
Het project is volgens het Gewestelijk RUP ‘Afbakening grootstedelijk gebied Antwerpen’, goedgekeurd op 19 juni 2009, gelegen binnen de afbakeningslijn grootstedelijk gebied Antwerpen.
Volgende relevante stedenbouwkundige voorschriften zijn van toepassing:
De gebieden binnen de afbakeningslijn behoren tot het grootstedelijk gebied Antwerpen. Met uitzondering van de deelgebieden waarvoor in dit plan voorschriften werden vastgelegd, blijven de op het ogenblik van de vaststelling van dit plan bestaande bestemmings- en inrichtingsvoorschriften onverminderd van toepassing. De bestaande voorschriften kunnen daar door voorschriften in nieuwe gewestelijke, provinciale en gemeentelijke ruimtelijke uitvoeringsplannen of BPA’s worden vervangen. Bij de vaststelling van die plannen en bij overheidsprojecten binnen de grenslijn gelden de relevante bepalingen van de ruimtelijke structuurplannen, conform de decretale bepalingen in verband met de verbindende waarde van die ruimtelijke structuurplannen.
Het perceel valt niet binnen een deelgebied waarvoor bestemmingsvoorschriften zijn vastgesteld. De gewestplanbestemming is van toepassing.
De aanvraag is niet gelegen binnen de grenzen van een goedgekeurd BPA of gemeentelijk RUP, maar wel binnen de omschrijving van een vergunde en niet vervallen verkaveling.
Het project is gelegen binnen de goedgekeurde verkaveling nr. 1974/7 dd. 16/12/1974 gekend als lot 9.
Het ontwerp voldoet aan de verkavelingsvoorschriften, met uitzondering van artikel 2.0; 5° Welstand van de gebouwen - Dakvorm:
● Schuin dak met een helling van minimum 10° en maximum 60°. Plat dak is toegelaten op uitbouwen.
De afwijking is conform de formele bepalingen van artikel 4.4.1. van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening: In een vergunning kunnen, na een openbaar onderzoek, beperkte afwijkingen worden toegestaan op stedenbouwkundige voorschriften en verkavelingsvoorschriften met betrekking tot perceelsafmetingen, de afmetingen en de inplanting van constructies, de dakvorm en de gebruikte materialen.
Aangezien de verkaveling ouder is dan 15 jaar, kunnen de voorschriften op zichzelf geen weigeringsgrond meer vormen. De aanvraag wordt dan ook beoordeeld op basis van de algemene principes van goede ruimtelijke ordening.
Rooilijn
Het perceel ligt in het rooilijnplan 'Den Blommaert / Diependaele / Lege Veldkant / Magadalena Vermeeschlaan / Pieter Potlaan / Wannickhove en Bollebeke', goedgekeurd bij K.B. 23/3/1967. Het ontwerp wordt niet getroffen door de rooilijn.
Uitgeruste weg
In toepassing op de artikelen 4.3.5 tot en met 4.3.8 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening (VCRO) kan gesteld worden dat de Wanninckhove een voldoende uitgeruste openbare weg is.
Riolering
De richtlijnen inzake aansluiting op de riolering en IBA-beheer kunnen worden bekomen bij Water-link (www.water-link.be of 078/35.35.09).
Het perceel is gelegen in centraal gebied. Aangezien de betreffende omgevingsvergunning zich situeert in een gebied met bestaande riolering die reeds is aangesloten op een zuiveringsinstallatie, dient het zwart water van de betreffende constructie via een septische put met Benor-certificaat te worden aangesloten op de bestaande riolering.
Openbaar onderzoek
De aanvraag werd openbaar gemaakt van 7 november 2025 tot 6 december 2025.
Er werden geen bezwaarschriften ingediend.
Watertoets
Het voorliggende project heeft geen omvangrijke oppervlakte en ligt niet in een recent overstroomd gebied of een overstromingsgebied, zodat in alle redelijkheid dient geoordeeld te worden dat het schadelijk effect beperkt is.
Op basis van de aanstiplijst aangaande de gewestelijke hemelwaterverordening 2023 en de stukken gevoegd bij de aanvraag blijkt dat voldaan wordt aan de verordening. Er wordt een hemelwaterput voorzien met een totale capaciteit van 10.000 liter. De overloop van de hemelwaterput wordt aangesloten op een bovengrondse infiltratievoorziening met een beschikbare infiltratieoppervlakte van 5.3 m².
Project-MER
Het project komt niet voor op de lijsten gevoegd als bijlage I, II en III van het besluit van de Vlaamse Regering van 10 december 2004 (en latere wijzigingen) houdende vaststelling van de categorieën van projecten onderworpen aan milieueffectrapportage. Er dient derhalve geen project-milieueffectrapportage noch een project-milieueffectrapportage-screeningsnota te worden opgesteld voor de aanvraag.
Inhoudelijke beoordeling van de goede ruimtelijke ordening
Deze beoordeling, als uitvoering van art. 1.1.4 van de codex gericht op een duurzame ruimtelijke ontwikkeling en met oog voor de ruimtelijke draagkracht, de gevolgen voor het leefmilieu en de culturele, economische, esthetische en sociale gevolgen, houdt rekening met de volgende criteria als uitvoering van art. 4.3.1 van de VCRO:
Functionele inpasbaarheid
De aanvraag betreft het renoveren en uitbreiden van een bestaande woning en het rooien van een boom, gelegen in woongebied. De woonfunctie blijft ongewijzigd. De aanvraag is functioneel inpasbaar.
Mobiliteitsimpact
De voorliggende aanvraag wijzigt niets aan de parkeerbehoefte van de eengezinswoning. De toegang tot het perceel wordt gewijzigd. De inrit wordt verplaatst van de straat Wanninckhove naar de Lege Veldkantlaan, inclusief de toegang tot de woning. Hierdoor zal het adres wijzigingen van Wannickhove naar Lege Veldkantlaan. Er is voldaan aan het gemeentelijk parkeerreglement.
Schaal, ruimtegebruik en bouwdichtheid
De woning wordt beperkt uitgebreid ter hoogte van de rechter perceelgrens. De huidige afstand tussen de woning en de zijdelingse perceelgrens varieert van 7,48 m tot 6,15 m. Na de uitbreiding bedraagt deze afstand tussen 4,03 m en 4,00 m, wat ruim voldoende is om de privacy van de aanpalende percelen te waarborgen.
Gelet op de omvang van de woning, het perceel en de bestaande bebouwing in de onmiddellijke omgeving is de uitbouw aanvaardbaar wat betreft schaal, ruimtegebruik en bouwdichtheid.
Er worden voor het uitbreiden van de woning een boom gerooid. Het advies van de dienst milieu wordt bijgetreden. Het advies wordt besproken onder de rubriek "externe adviezen".
Visueel-vormelijke elementen
Volgens artikel 2.01, 4° van de verkavelingsvoorschriften moet de woning worden voorzien van een hellend dak. In de voorliggende aanvraag wordt het hellend dak van de bestaande woning verwijderd en vervangen door een plat dak. In de directe omgeving komen enkele woningen met platte daken voor. De woning is visueel vormelijk inpasbaar.
De voorgestelde materialen behoren tot gangbare en eigentijdse gevelafwerking. De voorgestelde gevelafwerking integreert zich op esthetische wijze bij de bestaande architectuur en is aanvaardbaar en niet storend in de omgeving.
Cultuurhistorische aspecten
De aanvraag heeft geen betrekking op een beschermd monument of een goed dat voorkomt op de vastgestelde inventaris van het bouwkundig erfgoed. De plaats van de aanvraag is evenmin gelegen in een beschermd dorpsgezicht of beschermd landschap. Een archeologienota (zoals vermeld in art. 5.4.1 van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013) is niet vereist, omdat de aanvraag voldoet aan de voorwaarden die het decreet heeft bepaald.
Bodemreliëf
Er wordt geen aanpassing aan het bodemreliëf voorgesteld.
Andere hinderaspecten inzake gezondheid, gebruiksgenot en veiligheid in het algemeen
De aanvraag bevat geen elementen waarvan kan verwacht worden dat ze enige invloed op de gezondheid, het gebruiksgenot en de veiligheid in het algemeen kunnen hebben.
Bespreking adviezen
Het Agentschap voor Natuur en Bos heeft op 3 november 2020 per bericht laten weten geen advies te verlenen.
De Provincie Antwerpen – Deputatie, Dienst Integraal Waterbeleid, heeft op 17 december 2020 geen bezwaar.
De Dienst Milieu van de gemeente Hove heeft op 4 december 2025 een voorwaardelijk gunstig advies afgeleverd. Het advies wordt bijgetreden. De voorwaarden uit het advies dienen strikt te worden nageleefd. Het advies luidt als volgt:
[…]
Bespreking van de aanvraag
Het terrein bestaat uit een klassieke tuinaanleg bestaande uit een gazon en groenaanplanting bestaande uit groenmassieven bij een woning opgetrokken in 1977. Op het terrein zijn diverse grote bomen aanwezig.
Het terrein is niet ingetekend op de biologische waarderingskaart.
Er werd een geen verslag aan de aanvraag toegevoegd. De motivering luidt als volgt:
“De bestaande loofboom (stamomtrek 204cm) staat de dicht tegen het bouwwerk om de boom te kunnen behouden. De wortels bevinden zich in de bouwzone.”
Conclusie
De conclusie uit het verslag wordt bijgetreden. De uitbreiding van de woning komt tot tegen de voet van de boom. Het behouden van de boom is binnen het huidig ontwerp niet aangewezen.
Er zijn op dit moment diverse gemengde groenmassieven aanwezig op het terrein. De nieuwe tuinaanleg voorziet in het verwijderen van alle groenelementen op het terrein met uitzondering van de grote bomen. Het rooien van de boom is aanvaardbaar mits het naleven van de volgende voorwaarden.
Het perceel heeft een oppervlakte van 11,47 are. Na het rooien van de betrokken boom en het uitvoeren van de werken blijft er voldoende ruimte beschikbaar voor de aanplant van een kleine tot middelgrote boom. Op het eigen perceel dient een nieuwe boom te worden aangeplant als volwaardige vervanging binnen de groenstructuur.
Bij voorkeur wordt de nieuwe boom op een afstand van 15,00m (afhankelijk van de soort op minimaal 5,00m) van de woning aangeplant. Deze afstand voorkomt mogelijke toekomstige schade aan de woning of verhardingen, draagt bij aan een duurzame standplaats en garandeert voldoende licht- en wortelruimte. Daarnaast wordt aanbevolen om bij de keuze van de soort rekening te houden met de standplaats, de bodemkwaliteit en de gewenste ecologische en visuele meerwaarde voor het perceel.
Het algemeen soortenbesluit is van toepassing. De kap dient te gebeuren buiten het broedseizoen.
De boom dient te worden gecompenseerd door een volwaardig, inheems alternatief, eigen aan de streek (bv: kleine bomen: Eenstijlige of tweestijlige meidoorn, Kardinaalsmuts, Sleedoorn (Prunus spinosa), Wilde appel (Malus sylvestris) of een middelgrote boom: Lijsterbes, Veldesdoorn, Wilde lijsterbes, Ratelpopulier, Gewone vogelkers, Hazelaar, e.d.) met een plantmaat van 14/16cm en met een stamhoogte gangbaar voor een hoogstammige boom.
De nieuwe boom dient te worden aangeplant in het eerstvolgende plantseizoen na het rooien van de huidige boom. Indien de nieuwe aan te planten boom uitvalt dan dient deze te worden heraangeplant in het eerst daaropvolgende plantseizoen. De boom moet de kans krijgen om volwaardig uit te groeien.
Bomen met een beperkte kruin of snoeivorm zoals bolbomen, leibomen, enz. worden niet aanvaard als volwaardige aanplant.
De aanvrager neemt alle voorzorgsmaatregelen om de nieuwe aanplanting te laten slagen. Dit houdt in een met zorg uitgevoerde aanplanting met kwalitatief plantgoed, het gebruik van steunpalen of wortelverankering en zo nodig het aanbrengen van een bescherming tegen vee- of wildvraat.
De aanplanting van de bomen en hagen dient te gebeuren conform artikel 3.133 en 3.134 van het Burgerlijk Wetboek.
De aanvrager dient de aanplant te kunnen bewijzen met o.a. aankoopfacturen.
Voorwaarden
Beschermen van bomen tijdens de werf:
Er mag tijdens de werf geen (bouw)materialen, werktuigen, teeltaarde of grond, afval, etc. worden opgeslagen onder de kroonprojectie van de bomen op het terrein;
Er mag geen werfverkeer rijden binnen de kroonprojectie;
De bouwheer en aannemer dienen tijdens de werf alle voorzorgsmaatregelen te nemen om de bomen te beschermen tegen schade aan de stam, takbreuk, etc.;
Het beschermen van de bomen kan door de stam in te wikkelen met jutte en houten latten;
De kruinprojectie wordt bij voorkeur afgebakend door hekkens;
○ Het algemeen soortenbesluit is van toepassing. De kap dient te gebeuren buiten het broedseizoen;
○ De aanplanting van de bomen dient te gebeuren conform artikel 3.133 en 3.134 van het Burgerlijk Wetboek;
De boom dient te worden gecompenseerd door een volwaardig, inheems alternatief, eigen aan de streek (bv: kleine bomen: Eenstijlige of tweestijlige meidoorn, Kardinaalsmuts, Sleedoorn (Prunus spinosa), Wilde appel (Malus sylvestris) of een middelgrote boom: Lijsterbes, Veldesdoorn, Wilde lijsterbes, Ratelpopulier, Gewone vogelkers, Hazelaar, e.d.);De boom dient te worden aangeplant op eigen terrein;
De boom dient een minimale plantmaat van 14/16cm te bezitten
De boom dient een stamhoogte te bezitten die gangbaar voor een hoogstammige boom;
De nieuwe boom dient te worden aangeplant in het eerstvolgende plantseizoen na het rooien van de bestaande boom;
Indien de nieuw aan te planten boom uitvalt dan dient deze te worden heraangeplant in het eerst daaropvolgende plantseizoen;
De boom moet de kans krijgen om volwaardig uit te groeien
Bomen met een beperkte kruin of snoeivorm zoals bolbomen, leibomen, enz. worden niet aanvaard als volwaardige aanplant;De aanvrager neemt alle voorzorgsmaatregelen om de nieuwe aanplanting te laten slagen. Dit houdt in een met zorg uitgevoerde aanplanting met kwalitatief plantgoed, het gebruik van steunpalen of wortelverankering en zo nodig het aanbrengen van een bescherming tegen vee- en wildvraat.
Natuurtoets
Decreet Natuurbehoud
Het Decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu bepaalt:
Artikel 16 §1. In het geval van een vergunningsplichtige activiteit, draagt de bevoegde overheid er zorg voor dat er geen vermijdbare schade aan de natuur kan ontstaan door de vergunning te weigeren of door redelijkerwijze voorwaarden op te leggen om de schade te voorkomen, te beperken of, indien dit niet mogelijk is, te herstellen.
De aanvraag is niet gelegen in een speciale natuurbeschermingszone.
De aanvraag geeft geen aanleiding tot bijkomende voorwaarden of passende maatregelen in functie van de natuurtoets.
Stikstofdecreet
Motivering aanlegfase:
Op basis van een Nederlandse studie van TNO kan aangenomen worden dat de NOx-emissies voor de verbouwing van een ééngezinswoning in het slechtste geval (worst case) overeenkomen met 76 kg NOX/jaar.
Aan de hand van de VITO-tabel voor de aanlegfase komen we met een KDW van 6 kg N/(ha*jaar) en een jaarlijkse emissie van 76 kg NOX uit op een afstand van 150 m. Deze afstand is volgens de tabel de afstand tot het habitattype met een KDW van 6 kg N/(ha*jaar) opdat er geen overschrijding is van de 1%-drempelwaarde. Aangezien we werken met worst-case-aannames, kunnen we stellen dat er geen overschrijding is van de 1%-drempelwaarde op een afstand van 150 meter tot de grens van het dichtsbijgelegen habitatrichtlijngebied.
In het TNO-rapport wordt voor het bepalen van de NOx-emissies van de bouw van een woning ook rekening gehouden met de aanvoer van materiaal e.d., maar hierbij wordt geen rekening gehouden met de locatie van de aanvoerroute. Er kan echter uitgesloten worden dat door de locatie van de aanvoerroute de impactscore alsnog hoger dan 1% zou kunnen zijn. Op basis van de VITO-tabel voor de aanlegfase wordt een jaarlijkse emissie van 95 kg NOX weergegeven bij een KDW van 6 kg N(ha*jaar) en een afstand van 150 m. De worst-case-emissies voor het bouwen van een eengezinswoning bedragen dus slechts 80% van de waarde uit de VITO-tabel voor de aanlegfase. Het aantal jaarlijkse verkeersbewegingen voor zware voertuigen waarmee de drempelwaarde van 1% niet kan worden overschreden, kan bepaald worden met de VITO-tabel voor verkeer bij een KDW van 6 kg N/(ha*jaar) en een afstand van 0 m. Dit aantal bedraagt 9.000 jaarlijkse verkeersbewegingen. 20% hiervan komt op 1.800 jaarlijkse verkeersbewegingen voor zware voertuigen. Hiervan kunnen we aannemen dat het vrachtwagenverkeer voor het bouwen van een ééngezinswoning ruim onder 1.800 jaarlijkse verkeersbewegingen van zware voertuigen zal zitten. Bijgevolg zal voor de bouw van een woning op meer dan 150 m van Habitatrichtlijngebied de combinatie van de emissies van de aanlegfase met een worst-case-locatie van de aanvoerroute, niet tot een impactscore van meer dan 1% leiden.
Op basis van bovenstaande motivering werd aangetoond dat de impactscore van de verbouwing van een ééngezinswoning op meer dan 150 m van Habitatrichtlijngebiedniet meer dan 1% bedraagt.
Motivering fase na de aanleg:
Het aantal vervoersbewegingen van een ééngezinswoning wordt bepaald als volgt:
2 vervoersbewegingen/dag * 4 personen * 365 dagen/jaar = 2.920 vervoersbewegingen/jaar.
De VITO-tabel voor verkeer geeft aan dat bij een KDW van 6 kg N/(ha*jaar) en een afstand van 0 m er 70.000 lichte vervoersbewegingen (hieronder vallen personenwagens, bestelwagens, moto’s en mopeds) per jaar mogelijk zijn zonder de 1% drempel te overschrijden.
De 2920 jaarlijkse lichte vervoersbewegingen, zoals begroot voor een ééngezinswoning, zijn ruim minder dan 70.000 jaarlijkse vervoersbewegingen. Bijgevolg zal de impactscore in de fase na de aanleg kleiner zijn dan 1%.
Conclusie gemeentelijk omgevingsambtenaar
Op basis van de bovenvermelde motivering wordt de aanvraag voorwaardelijk gunstig geadviseerd mits te voldoen aan volgende voorwaarden:
● De voorwaarden uit het advies van de Dienst Milieu van de gemeente Hove dd. 4 december 2025 dienen strikt te worden nageleefd:
○ Beschermen van bomen tijdens de werf:
■ Er mag tijdens de werf geen (bouw)materialen, werktuigen, teeltaarde of grond, afval, etc. worden opgeslagen onder de kroonprojectie van de bomen op het terrein;
■ Er mag geen werfverkeer rijden binnen de kroonprojectie;
■ De bouwheer en aannemer dienen tijdens de werf alle voorzorgsmaatregelen te nemen om de bomen te beschermen tegen schade aan de stam, takbreuk, etc.;
■ Het beschermen van de bomen kan door de stam in te wikkelen met jutte en houten latten;
■ De kruinprojectie wordt bij voorkeur afgebakend door hekkens;
○ Het algemeen soortenbesluit is van toepassing. De kap dient te gebeuren buiten het broedseizoen;
○ De aanplanting van de bomen dient te gebeuren conform artikel 3.133 en 3.134 van het Burgerlijk Wetboek;
○ De boom dient te worden gecompenseerd door een volwaardig, inheems alternatief, eigen aan de streek (bv: kleine bomen: Eenstijlige of tweestijlige meidoorn, Kardinaalsmuts, Sleedoorn (Prunus spinosa), Wilde appel (Malus sylvestris) of een middelgrote boom: Lijsterbes, Veldesdoorn, Wilde lijsterbes, Ratelpopulier, Gewone vogelkers, Hazelaar, e.d.);
○ De boom dient te worden aangeplant op eigen terrein;
○ De boom dient een minimale plantmaat van 14/16cm te bezitten
○ De boom dient een stamhoogte te bezitten die gangbaar voor een hoogstammige boom;
○ De nieuwe boom dient te worden aangeplant in het eerstvolgende plantseizoen na het rooien van de bestaande boom;
○ Indien de nieuw aan te planten boom uitvalt dan dient deze te worden heraangeplant in het eerst daaropvolgende plantseizoen;
○ De boom moet de kans krijgen om volwaardig uit te groeien
○ Bomen met een beperkte kruin of snoeivorm zoals bolbomen, leibomen, enz. worden niet aanvaard als volwaardige aanplant;
○ De aanvrager neemt alle voorzorgsmaatregelen om de nieuwe aanplanting te laten slagen. Dit houdt in een met zorg uitgevoerde aanplanting met kwalitatief plantgoed, het gebruik van steunpalen of wortelverankering en zo nodig het aanbrengen van een bescherming tegen vee- en wildvraat.
Conclusie college van burgemeester en schepenen
Het college sluit zich aan bij het advies van de gemeentelijke omgevingsambtenaar en maakt dit zich eigen.
BESLUIT:
Artikel 1
Het college van burgemeester en schepenen levert de voorwaardelijke omgevingsvergunning af voor het verbouwen en uitbreiden van de woning én rooien van een loofboom.
Artikel 2
Volgende voorwaarden en/of lasten worden opgelegd:
Stedenbouwkundige voorwaarden
● De voorwaarden uit het advies van de Dienst Milieu van de gemeente Hove dd. 4 december 2025 dienen strikt te worden nageleefd:
○ Beschermen van bomen tijdens de werf:
■ Er mag tijdens de werf geen (bouw)materialen, werktuigen, teeltaarde of grond, afval, etc. worden opgeslagen onder de kroonprojectie van de bomen op het terrein;
■ Er mag geen werfverkeer rijden binnen de kroonprojectie;
■ De bouwheer en aannemer dienen tijdens de werf alle voorzorgsmaatregelen te nemen om de bomen te beschermen tegen schade aan de stam, takbreuk, etc.;
■ Het beschermen van de bomen kan door de stam in te wikkelen met jutte en houten latten;
■ De kruinprojectie wordt bij voorkeur afgebakend door hekkens;
○ Het algemeen soortenbesluit is van toepassing. De kap dient te gebeuren buiten het broedseizoen;
○ De aanplanting van de bomen dient te gebeuren conform artikel 3.133 en 3.134 van het Burgerlijk Wetboek;
○ De boom dient te worden gecompenseerd door een volwaardig, inheems alternatief, eigen aan de streek (bv: kleine bomen: Eenstijlige of tweestijlige meidoorn, Kardinaalsmuts, Sleedoorn (Prunus spinosa), Wilde appel (Malus sylvestris) of een middelgrote boom: Lijsterbes, Veldesdoorn, Wilde lijsterbes, Ratelpopulier, Gewone vogelkers, Hazelaar, e.d.);
○ De boom dient te worden aangeplant op eigen terrein;
○ De boom dient een minimale plantmaat van 14/16cm te bezitten
○ De boom dient een stamhoogte te bezitten die gangbaar voor een hoogstammige boom;
○ De nieuwe boom dient te worden aangeplant in het eerstvolgende plantseizoen na het rooien van de bestaande boom;
○ Indien de nieuw aan te planten boom uitvalt dan dient deze te worden heraangeplant in het eerst daaropvolgende plantseizoen;
○ De boom moet de kans krijgen om volwaardig uit te groeien
○ Bomen met een beperkte kruin of snoeivorm zoals bolbomen, leibomen, enz. worden niet aanvaard als volwaardige aanplant;
○ De aanvrager neemt alle voorzorgsmaatregelen om de nieuwe aanplanting te laten slagen. Dit houdt in een met zorg uitgevoerde aanplanting met kwalitatief plantgoed, het gebruik van steunpalen of wortelverankering en zo nodig het aanbrengen van een bescherming tegen vee- en wildvraat.
Algemene voorwaarden
Deze beslissing stelt de aanvrager niet vrij van het aanvragen en verkrijgen van eventuele andere vergunningen of machtigingen, als die nodig zouden zijn.
Verval van de omgevingsvergunning – uittreksel uit het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning
Artikel 99. § 1. De omgevingsvergunning vervalt van rechtswege in elk van de volgende gevallen:
1° als de verwezenlijking van de vergunde stedenbouwkundige handelingen niet wordt gestart binnen de twee jaar na het verlenen van de definitieve omgevingsvergunning;
2° als het uitvoeren van de vergunde stedenbouwkundige handelingen meer dan drie opeenvolgende jaren wordt onderbroken;
3° als de vergunde gebouwen niet winddicht zijn binnen drie jaar na de aanvang van de vergunde stedenbouwkundige handelingen;
4° als de exploitatie van de vergunde activiteit of inrichting niet binnen vijf jaar na het verlenen van de definitieve omgevingsvergunning aanvangt.
Als de omgevingsvergunning uitdrukkelijk melding maakt van de verschillende fasen van het bouwproject, worden de termijnen van twee of drie jaar, vermeld in het eerste lid, gerekend per fase. Voor de tweede fase en de volgende fasen worden de termijnen van verval bijgevolg gerekend vanaf de aanvangsdatum van de fase in kwestie.
§ 2. De omgevingsvergunning voor de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit vervalt van rechtswege in elk van de volgende gevallen:
1° als de exploitatie van de vergunde activiteit of inrichting meer dan vijf opeenvolgende jaren wordt onderbroken;
2° als de ingedeelde inrichting vernield is wegens brand of ontploffing veroorzaakt ten gevolge van de exploitatie;
3° als de exploitatie op vrijwillige basis volledig en definitief wordt stopgezet overeenkomstig de voorwaarden en de regels, vermeld in het decreet van 9 maart 2001 tot regeling van de vrijwillige, volledige en definitieve stopzetting van de productie van alle dierlijke mest, afkomstig van een of meerdere diersoorten, en de uitvoeringsbesluiten ervan. De Vlaamse Regering kan nadere regels bepalen voor de inkennisstelling van de stopzetting.
§ 3. Als de gevallen, vermeld in paragraaf 1, betrekking hebben op een gedeelte van het bouwproject, vervalt de omgevingsvergunning alleen voor het niet-afgewerkte gedeelte van een bouwproject. Een gedeelte is eerst afgewerkt als het, in voorkomend geval na de sloping van de niet-afgewerkte gedeelten, kan worden beschouwd als een afzonderlijke constructie die voldoet aan de bouwfysische vereisten.
Als de gevallen, vermeld in paragraaf 1 of 2, alleen betrekking hebben op een gedeelte van de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit, vervalt de omgevingsvergunning alleen voor dat gedeelte.
Artikel 100. De omgevingsvergunning blijft onverkort geldig als de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit van een project door een wijziging van de indelingslijst van klasse 1 naar klasse 2 overgaat of omgekeerd.
In geval de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit van een project door een wijziging van de indelingslijst van klasse 1 of 2 naar klasse 3 overgaat, geldt de vergunning als aktename en blijven de bijzondere voorwaarden gelden.
Artikel 101. De termijnen van twee, drie of vijf jaar, vermeld in artikel 99, worden geschorst zolang een beroep tot vernietiging van de omgevingsvergunning aanhangig is bij de Raad voor Vergunningsbetwistingen, overeenkomstig hoofdstuk 9 behoudens indien de vergunde handelingen in strijd zijn met een vóór de definitieve uitspraak van de Raad van kracht geworden ruimtelijk uitvoeringsplan. In dat laatste geval blijft het eventuele recht op planschadevergoeding desalniettemin behouden.
De termijnen van twee of drie jaar, vermeld in artikel 99, worden geschorst tijdens het uitvoeren van de archeologische opgraving, omschreven in de bekrachtigde archeologienota overeenkomstig artikel 5.4.8 van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013 en in de bekrachtigde nota overeenkomstig artikel 5.4.16 van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013, met een maximumtermijn van een jaar vanaf de aanvangsdatum van de archeologische opgraving.
De termijnen van twee of drie jaar, vermeld in artikel 99, worden geschorst tijdens het uitvoeren van de bodemsaneringswerken van een bodemsaneringsproject waarvoor de OVAM overeenkomstig artikel 50, § 1, van het Bodemdecreet van 27 oktober 2006 een conformiteitsattest heeft afgeleverd, met een maximumtermijn van drie jaar vanaf de aanvangsdatum van de bodemsaneringswerken.
De termijnen van twee of drie jaar, vermeld in artikel 99, worden geschorst zolang een bekrachtigd stakingsbevel, zoals vermeld in titel VI, niet wordt ingetrokken, hetzij niet wordt opgeheven bij een in kracht van gewijsde gegane beslissing. De schorsing eindigt van rechtswege wanneer geen opheffing van het stakingsbevel wordt gevorderd of geen intrekking wordt gedaan binnen een termijn van twee jaar vanaf de bekrachtiging van het stakingsbevel.
Beroepsmogelijkheden – uittreksel uit het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning
Artikel 52. De Vlaamse Regering is bevoegd in laatste administratieve aanleg voor beroepen tegen uitdrukkelijke of stilzwijgende beslissingen van de deputatie in eerste administratieve aanleg.
De deputatie is voor haar ambtsgebied bevoegd in laatste administratieve aanleg voor beroepen tegen uitdrukkelijke of stilzwijgende beslissingen van het college van burgemeester en schepenen in eerste administratieve aanleg.
Artikel 53. Het beroep kan worden ingesteld door:
1° de vergunningsaanvrager, de vergunninghouder of de exploitant;
2° het betrokken publiek;
3° de leidend ambtenaar van de adviesinstanties of bij zijn afwezigheid zijn gemachtigde als de adviesinstantie tijdig advies heeft verstrekt of als aan hem ten onrechte niet om advies werd verzocht;
4° het college van burgemeester en schepenen als het tijdig advies heeft verstrekt of als het ten onrechte niet om advies werd verzocht;
5° de leidend ambtenaar van het Departement Leefmilieu, Natuur en Energie of bij zijn afwezigheid zijn gemachtigde;
6° de leidend ambtenaar van het Departement Ruimtelijke Ordening, Woonbeleid en Onroerend Erfgoed of bij zijn afwezigheid zijn gemachtigde.
Artikel 54. Het beroep wordt op straffe van onontvankelijkheid ingesteld binnen een termijn van dertig dagen die ingaat:
1° de dag na de datum van de betekening van de bestreden beslissing voor die personen of instanties aan wie de beslissing betekend wordt;
2° de dag na het verstrijken van de beslissingstermijn als de omgevingsvergunning in eerste administratieve aanleg stilzwijgend geweigerd wordt;
3° de dag na de eerste dag van de aanplakking van de bestreden beslissing in de overige gevallen.
Artikel 55. Het beroep schorst de uitvoering van de bestreden beslissing tot de dag na de datum van de betekening van de beslissing in laatste administratieve aanleg.
In afwijking van het eerste lid werkt het beroep niet schorsend ten aanzien van:
1° de vergunning voor de verdere exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit waarvoor ten minste twaalf maanden voor de einddatum van de omgevingsvergunning een vergunningsaanvraag is ingediend;
2° de vergunning voor de exploitatie na een proefperiode als vermeld in artikel 69;
3° de vergunning voor de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit die vergunningsplichtig is geworden door aanvulling of wijziging van de indelingslijst.
Artikel 56. Het beroep wordt op straffe van onontvankelijkheid per beveiligde zending ingesteld bij de bevoegde overheid, vermeld in artikel 52.
Degene die het beroep instelt, bezorgt op straffe van onontvankelijkheid gelijktijdig en per beveiligde zending een afschrift van het beroepschrift aan:
1° de vergunningsaanvrager behalve als hij zelf het beroep instelt;
2° de deputatie als die in eerste administratieve aanleg de beslissing heeft genomen;
3° het college van burgemeester en schepenen behalve als het zelf het beroep instelt.
De Vlaamse Regering bepaalt de bewijsstukken die bij het beroep moeten worden gevoegd opdat het op ontvankelijke wijze wordt ingesteld.
Artikel 57. De bevoegde overheid, vermeld in artikel 52, of de door haar gemachtigde ambtenaar onderzoekt het beroep op zijn ontvankelijkheid en volledigheid.
Als niet alle stukken als vermeld in artikel 56, derde lid, bij het beroep zijn gevoegd, kan de bevoegde overheid of de door haar gemachtigde ambtenaar de beroepsindiener per beveiligde zending vragen om binnen een termijn van veertien dagen die ingaat de dag na de verzending van het vervolledigingsverzoek, de ontbrekende gegevens of documenten aan het beroep toe te voegen.
Als de beroepsindiener nalaat de ontbrekende gegevens of documenten binnen de termijn, vermeld in het tweede lid, aan het beroep toe te voegen, wordt het beroep als onvolledig beschouwd.
Beroepsmogelijkheden – regeling van het besluit van de Vlaamse Regering decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning
Het beroepschrift bevat op straffe van onontvankelijkheid:
1° de naam, de hoedanigheid en het adres van de beroepsindiener;
2° de identificatie van de bestreden beslissing en van het onroerend goed, de inrichting of exploitatie die het voorwerp uitmaakt van die beslissing;
3° als het beroep wordt ingesteld door een lid van het betrokken publiek:
een omschrijving van de gevolgen die hij ingevolge de bestreden beslissing ondervindt of waarschijnlijk ondervindt;
b) het belang dat hij heeft bij de besluitvorming over de afgifte of bijstelling van een omgevingsvergunning of van vergunningsvoorwaarden;
4° de redenen waarom het beroep wordt ingesteld.
Het beroepsdossier bevat de volgende bewijsstukken:
1° in voorkomend geval, een bewijs van betaling van de dossiertaks;
2° de overtuigingsstukken die de beroepsindiener nodig acht;
3° in voorkomend geval, een inventaris van de overtuigingsstukken, vermeld in punt 2°.
Als de bewijsstukken, vermeld in het tweede lid, ontbreken, kan hieraan verholpen worden overeenkomstig artikel 57, tweede lid, van het decreet van 25 april 2014.
Het beroepsdossier wordt ingediend met een analoge of een digitale zending.
Het bevoegde bestuur kan bij de beroepsindiener, de vergunningsaanvrager of de overheid die in eerste administratieve aanleg bevoegd is, alle beschikbare informatie en documenten opvragen die nuttig zijn voor het dossier.
De beroepsindiener geeft, op straffe van verval, uitdrukkelijk in zijn beroepschrift aan of hij gehoord wil worden.
Als de vergunningsaanvrager gehoord wil worden, brengt hij het bevoegde bestuur daarvan uitdrukkelijk op de hoogte met een beveiligde zending uiterlijk vijftien dagen nadat hij een afschrift van het beroepschrift als vermeld in artikel 56 van het decreet van 25 april 2014, heeft ontvangen, op voorwaarde dat hij niet de beroepsindiener is.
Mededeling
Deze gegevens kunnen worden opgeslagen in een of meer bestanden. Die bestanden kunnen zich bevinden bij de gemeente, waar u de aanvraag hebt ingediend, bij de provincie, en ook bij de Vlaamse administratie, bevoegd voor de omgevingsvergunning. Ze worden gebruikt voor de behandeling van uw dossier. Ze kunnen ook gebruikt worden voor het opmaken van statistieken en voor wetenschappelijke doeleinden. U hebt het recht om uw gegevens in deze bestanden in te kijken en zo nodig de verbetering ervan aan te vragen.
Register der bekendmakingen
Deze webpagina vormt het openbare register van gemeentelijke reglementen en verordeningen, in overeenstemming met het besluit van de Vlaamse regering van 28 april 2023 betreffende de bekendmakingen en raadpleegbaarheid van besluiten en documenten van het lokale bestuur met betrekking tot de manier waarop ze moeten worden bijgehouden.
Wanneer een publicatie wordt uitgevoerd, zal er een expliciete "bundel" van het document worden opgeslagen. Op dat moment is het document inhoudelijk niet meer aanpasbaar door de gebruiker.
Deze "bundel" bestaat uit:
De inhoud van de publicatie op het moment dat deze werd uitgevoerd.
Een unieke identificatie van de gebruiker die de actie heeft uitgevoerd.
De tijdstempel waarop de actie heeft plaatsgevonden.
Al deze gegevens staan in een aparte publicatie omgeving die beveiligd en toegankelijk is voor een beperkt aantal personen.